Bart Vos trekt een strakke streep naar de top van de Nepalese 'stormberg'; Koude roes op de Dhaulagiri

Bergbeklimmer Bart Vos trok dit najaar naar Nepal om voor de derde maal de aanval te openen op een van de hoogste bergen van de Himalaya, de 8167 meter hoge Dhaulagiri. Het is hem gelukt: alleen, en zonder zuurstof. “Zou ik nog kunnen genieten van het klimmen? Deze gecontroleerde roes is het antwoord.”

Tussen mijn benen door kijk ik naar beneden. Tweeduizend meter steil ijs, met aan het begin gladde verijsde rotsen. Vaag zie ik mijn spoor door de diepe sneeuw naar de wand. Het lijkt zo lang geleden dat ik er liep. Wanneer verliet ik Tashi, Panna en Maila in het basiskamp?

Ik tel de nachten die ik bivakkerend in de wand doorbracht: één boven de rotsen, één op een platform van sneeuw, twee nachten op een richel die ik in het ijs uithakte - door een sneeuwstorm kon ik overdag niet verder klimmen - en één beschut door een grote steen onder de rotsen, hoog in de oostwand. Dat laatste bivak, de afgelopen nacht, was het zwaarst: er was geen ruimte om de tent op te zetten. Omhuld door tentdoek rilde ik, zittend op mijn rugzak, de nacht door, terwijl de wind me horendol maakte.

'Vijf nachten, dus nog maar vijf dagen geleden verliet ik mijn tent op de noordoostpas,' zeg ik hardop. 'Vijf dagen en nachten storm en sneeuw. En die dag dat ik de wand verkende en een dag van basiskamp naar de pas.' Ik doe een overhandschoen uit. 'Vier bivakplekken, plus één dubbel, plus één, plus één.' Ik tel met mijn vingers. 'Zeven - één week dus.' In het basiskamp had ik gezegd dat de beklimming ongeveer twee weken zou duren. Als ik na drie weken niet terug zou zijn, zouden ze de spullen moeten pakken en vertrekken. Kok Tashi en zijn hulp Maila knikten toen ik het vertelde. In 1994 en 1995 hadden zij immers hetzelfde gehoord. Panna, de liaison officer, was verbijsterd, maar hij accepteerde mijn uitleg dat een poging me te redden te moeilijk, te riskant en dus zinloos zou zijn.

Ik klim over ijsgoten tussen de rotsen. Ik sla de pickel in het ijs, mep de ijshamer ernaast. Als ik voel dat ik met mijn polsen stevig aan de lussen hang, schop ik de voorpunten van de stijgijzers onder mijn schoenen zo hoog mogelijk tegen de wand. Maar een paar millimeter verdwijnen in het ijs. Ik belast mijn voeten, richt me op, haal een paar keer diep adem en wrik de ijshamer los. De volgende mep.

De goten worden steiler en ijs verandert in hard glas. Het klimmen gaat traag en ik durf niet langer ongezekerd te klimmen. Ik haal een titanium ijsschroef van mijn klimgordel, draai hem in het ijs en klik met een musqueton mijn gordel eraan vast. Ik leun achterover en rust. Mijn ogen zoeken een weg tussen de moeilijke overhangende rotsen.

Ik bind het midden van het negentig meter lange touw aan de rugzak die ik ruim bungelend aan een haak onder me laat. Om de vijf meter verleng ik het dubbele touw. Twee maal zes millimeter - een zware val zal het nooit houden. Als ik het touw volledig heb uitgeklommen, maak ik het vast en daal ik af tot mijn rugzak. Voor de tweede keer klim ik omhoog en verwijder de ijsschroeven. Waar de ijsgoten niet aansluiten, klim ik over rotsen. Vaak zó moeilijk dat ik met blote handen moet klimmen om een goede greep te hebben. Ik voel dat, zonder de bescherming van de drie lagen handschoenen, de toppen van mijn vingers aanvriezen. Keer op keer houd ik in de donsoverall mijn vingers onder mijn oksels. Zo klim ik een zestal touwlengtes en ik ben opgelucht als ik het touw boven de rotsband weer kan opbergen en de rugzak kan omgespen. Ik kijk op mijn horloge dat niet alleen de datum en de tijd, maar ook de hoogte en de temperatuur aangeeft: 16 oktober, half twaalf, 7745 meter, -24ß8C. Langzaam draait de zon weg uit de wand en het wordt nog kouder.

Tot het uiterste geconcentreerd beweeg ik. Het meppen, schoppen en oprichten voelt niet langer als hard gezwoeg. De zwaai van mijn rechterarm gaat over in die van de linker en glijdt door naar mijn benen. Als een zwemmer die traag crawlt, schuif ik in een rechte lijn over het harde ijs. De gevaren - vooral uitglijden en steen- en ijsslag -, zijn genesteld in mijn hoofd, maar ik weet dat ik ze beheers. Iedere overbodige gedachte wordt gesmoord. In Nederland kostte het moeite mezelf aan te zetten tot de voorbereidingen van deze expeditie. Zou de hele tocht niet te veel lijken op de twee eerdere? Zou ik nog kunnen genieten van het klimmen? Deze gecontroleerde roes is het antwoord.

Binnen twee uur bereik ik de bovenste punt van de Oostwand. Schraal zonlicht strijkt langs de topgraat van de Dhaulagiri. De wind giert langs de noordflank en blaast een vaan van sneeuw langs de graat. Nog even duik ik terug in de beschutting van de wand, doe mijn rugzak af en drink thee. Voortdurend kijk ik naar mijn klimspoor. 'Een niet eerder beklommen route, een mooie strakke streep over deze hoge witte kies.' Een klein mannetje in me juicht. 'Het is je gelukt!' Maar ik moet verder en smoor zijn stem.

Lager en meer dan duizend meter van me vandaan, zie ik een paar stipjes langzaam naar boven schuiven. Het zijn waarschijnlijk leden van de Russische expeditie, die dit seizoen tezamen met vier andere expedities de noordoostgraat beklimmen - dezelfde route die de eerste beklimmers in 1960 volgden. De leden van een Japanse expeditie hebben de klimpogingen al gestaakt en het basiskamp verlaten. Zij waren het verst gevorderd met drie bevoorraadde kampen en vaste touwen tot hoog op de berg. Drie dagen storm en meer dan zes meter sneeuw maakten al hun materiaal spoorloos.

De leden van een kleine Zwitserse expeditie volgden hen. Hun pech was dat ze telkens hoog op de berg overvallen werden door slecht weer en de zon zagen schijnen, wanneer ze uitgeput in het basiskamp uitrustten. Een groep Oostenrijkers gaf de moed op na één nacht in de tent op een hoogte van 7200 meter. Zoveel angstaanjagende wind hadden ze niet verwacht en ze daalden direct af naar het basiskamp. De Russische expeditie lijkt sterker - de meeste leden zijn potige kerels en ze zijn met velen, twaalf totaal. Als laatste probeert nog een tweede Oostenrijkse expeditie in het kielzog van de Russische de top te bereiken. Een gids met zes cliënten die veel geld hebben betaald voor een vakantie op deze 'stormberg'. Twee leden werden al hoogteziek tijdens de trektocht en hebben het basiskamp nooit bereikt.

Op de graat zak ik vaak diep weg in de sneeuw. Ik leun voorover tegen de wind, in mijn rechterhand een skistok, in de linker de pickel. Langzaam win ik hoogte. Twee stappen, rust. Tenen bewegen, vingers bewegen, tien keer ademhalen, weer twee stappen. Vaak moet ik me omdraaien en wachten omdat stukjes ijs van de noordwand in mijn gezicht waaien. Ondanks de bescherming van de bivakmuts en de donscapuchon voelt het alsof ik met steentjes wordt bekogeld.

Om vijf uur is de wind zo hevig dat ik moeite heb op de been te blijven en ik besluit in een holte van de graat, enigszins beschut voor de beukende wind, te bivakkeren. Volgens de hoogtemeter zit ik op bijna 8100 meter, nog zeventig hoogtemeters naar de top. Ik weet dat ik hem morgen zal bereiken. Een half uur lang probeer ik de tent op te zetten. Maar de elastieken in de tentstokken zijn bevroren en het lukt me niet de stokken goed in elkaar te schuiven. 'Nog een nacht zitten en niet slapen.' Mopperend stop ik de rugzak in de tent zonder stokken, rol de slaapmat uit, ga erop zitten, pak de slaapzak uit de rugzak en trek hem om me heen tot boven mijn hoofd. De schoenen trek ik pas uit nadat ik mijn handen lang heb verwarmd onder mijn oksels. De wind buldert over de graat en ijsdeeltjes vliegen als kogels tegen het tentdoek. Ik masseer mijn tenen tot ze weer warm zijn. Ik strijk de zijden sokken glad, trek de wollen sokken eroverheen weer aan, verwarm de binnenschoenen boven de gasbrander en schuif ze over mijn voeten. Donssloffen trek ik strak over de binnenschoenen, zodat ze nauw aansluiten op de donsoverall. Ik blijf mijn tenen bewegen om ze warm te houden en ik weet dat ik daarmee de hele nacht moet doorgaan.

Even rust ik, moe van het gefriemel in de slaapzak. Dan pak ik de schep en vul een plastic zak met sneeuw. De kleine gasbrander zet ik in de slaapzak op mijn schoot en tot ver voorbij middernacht schep ik sneeuw in het pannetje en drink thee, koffie en chocolademelk. Na iedere halve liter zet ik een streepje in mijn dagboek. Na één liter is mijn dorst gelest, de resterende vijf drink ik tegen heug en meug. Het is nodig om uitdroging te voorkomen. Ik heb geen honger, geen zin in een cracker of gevriesdroogd eten. Ik zoek in de zak met voedsel. Een paar koekjes, een reep chocola, een Mars en wat zuurtjes - meer eet ik niet.

Door het vuur van de brander wordt het warm in de slaapzak. Soms dommel ik en schrik weer wakker. Ik mag niet slapen. Tenen bewegen, vingers bewegen, oppassen dat de slaapzak de brander niet raakt. Drinken. Buiten dreunt de wind, opgejaagd ijs en sneeuw beuken tegen mijn rug. In het gesuis van de gasvlam hoor ik geruststellende stemmen die sissen dat ik morgen op de top zal staan. 'Nog maar zeventig meter, nog maar zeventig meter,' fluistert de een. 'Wel tweehonderdvijftig over een lastige graat,' waarschuwt de ander. Als ik de brander uitdraai hoef ik niet meer zelf te vechten tegen de slaap. Grote stukken ijs die uit de lucht vallen dreunen op mijn hoofd. Ik zet de helm op, trek de donscapuchons van overall en slaapzak over mijn hoofd en schuif de overwanten tussen het tentdoek en de capuchons. Ondanks die bescherming lijkt het toch of iemand voortdurend met een hamer op mijn kop timmert.

De nacht duurt eeuwen. Iedere twintig minuten steek ik de brander aan. Ik houd de slaapzak strak gesloten, zodat de warmte niet ontsnapt. Mijn hersens dwing ik niet aan de kou te denken, door lange wandelingen te maken. Over het strand in Nederland, van IJmuiden tot Noordwijk. Door Rome, van het Pantheon naar de St. Pieter. Maar ook van de Dhaulagiri-top naar het basiskamp en van daar naar Marpha, het eerste dorp in het Kali-Gandaki dal.

Om half zes schemert het. Een uur later schijnt de zon op de bivaktent en wordt de hardste kou verdreven. Ik drink nog twee liter hete thee en vul de drankfles.

Als ik om half negen weer op weg ben tiert de wind nog steeds, maar het is dragelijk en traag beklim ik de graat naar de top. Twee keer is het moeilijk en gebruik ik het touw om veilig langs gaten in de graat te klimmen. Soms kan ik tot ver kijken - naar het noorden over Tibet, naar het zuiden over de Nepalese heuvels tot in de laagvlaktes. Maar ik kan er niet van genieten, want ik heb haast en moet mijn gedachten dwingen te blijven bij de dingen die ik moet doen vandaag: een been optillen, leunen op de skistok, de voet in de sneeuw duwen, de sneeuw aanstampen tot het stevig is, mijn gewicht verplaatsen, de pickel opnieuw in de sneeuw duwen, erop leunen, vijf keer adem halen, andere voet. Af en toe pak ik de camera uit mijn zak en maak een foto.

Vanuit het zuidwesten worden wolken omhoog gejaagd, de top kan ik al lang niet meer zien. De wind wakkert aan, Ik vecht voor iedere stap. Om tien uur raast een storm over de graat. Zo hard dat ik niet genoeg kracht heb om nog vooruit te komen. Ik zet de rugzak neer, pak de tent en kruip erin.

Ruim vier uur lang raast de storm rond de bergtop. Ik pak de brander en probeer sneeuw te smelten. Keer op keer bonkt de wind zo hard, dat ik me schrap moet zetten om niet om te vallen. Het lukt me niet om de brander rechtop te houden. Mijn voetzolen voelen koud aan. Ik trek mijn schoenen uit en masseer mijn voeten urenlang. Mijn vingertoppen doen pijn. Het zijn slechts eerstegraads bevriezingen, maar ze voelen doods als ijsklompjes onder gevoelloze stalen vingerhoedjes. 'Pas op voor infecties.' Ik zoek het doosje met medicijnen en verband, pak de jodium en smeer mijn vingertoppen in met een dikke laag jodium. De herrie, de kou, het tekort aan zuurstof - terwijl ik het mezelf verbied, merk ik dat ik onwillekeurig inschat hoelang ik dit nog vol kan houden. Tien uur of vijftien? Mogelijk niet meer dan vijf! Ik dwing mijn hoofd weer te wandelen. Door Parijs, van Neuilly door het Bois de Boulogne naar de Polo Club en van daar naar het centrum. Ik stop in de warme donkere Notre-Dame. Een koor zingt het Requiem van Fauré. Sanctus, met een iele viool.

Om half drie ben ik weer op weg. Het is bewolkt, het waait nog steeds hard, maar het is minder koud. Twee keer heb ik de mogelijkheid om over rotsen en sneeuwgoten af te dalen door de noordwand naar de noordoostgraat, de snelste en veiligste weg naar beneden. Beide keren twijfel ik. Weg uit deze razernij. Maar ik verman me en ga verder over de graat, die zich meer en meer hult in dikke wolken. Het zicht reikt niet verder dan vijftien meter.

Om ongeveer vijf uur sta ik voor een grote inkeping, gevuld met sneeuw. De top moet nabij zijn. Ik prik met de skistok en merk dat het gat diep en wijd is. Als ik sneeuw weggraaf, vind ik in een rotsspleet een haak. Ik ben dus niet de eerste die moeite heeft hier voorbij te komen, denk ik, en ik pak het touw en bind het aan de haak. Met een band veranker ik het touw extra om een rots. Langzaam laat ik me aan het touw zakken. Ik duw de sneeuw opzij. Meter na meter zak ik, maar hoe ik ook schommel, nergens voel ik rotsen onder de sneeuw. Ik klim weer terug, rust even, en besluit dan om het gat heen te klimmen. Tijdrovend, maar mezelf met de bijna twintig kilo zware rugzak nog dieper in het gat te laten zakken is te gevaarlijk.

Langs het touw laat ik me meer dan dertig meter zakken, de noordwand in. Even lach ik, want ik ben nu waarschijnlijk vlak bij de plek waar ik vorig jaar omkeerde.

Ik traverseer naar het westen en klim omhoog tot ik weer op de graat sta. Ik ben opgelucht, want aan het helling van de graat zie ik duidelijk dat ik de top onderlangs gepasseerd ben. Langzaam begin ik in de dikke voortrazende mist aan de laatste meters naar de top. De sneeuw is hier stevig - aangedrukt door de wind. Plotseling zakt mijn skistok weg in diepe sneeuw. Ik kijk op. Een paar meter van me verwijderd is de plek waar ik nog geen uur geleden stond. Voor me is die rottige inkeping. Verdomme! Het schemert, maar als de wind even een gat in de wolken blaast zie ik dat de overzijde hoger is dan de plek waar ik nu sta. Ook kan ik nu aan de zuidkant een groot sneeuwveld zien: het gletsjerplateau dat hoog tegen de westgraat ligt. Ik staar over de inkeping gevuld met sneeuw. 'Daar is de top,' schreeuw ik. 'Ik was er al!'

Ik pak de koplamp en zet hem op mijn hoofd. Zo snel mogelijk keer ik om en daal weer af door de noordwand, traverseer terug over mijn spoor en klim omhoog tot op de top. Het is donker, ik kijk op mijn horloge. 17 oktober, half acht, 8185 meter, -37ß8C. Ik lach. '8185 meter - bijna twintig meter hoger dan de berg,' zeg ik.

Ik fotografeer het grote sneeuwveld. Daarna plant ik de pickel in de sneeuw en schroef de camera erop. Ik druk op de zelfontspanner en plof op een paar meter afstand in de sneeuw. Een paar foto's maak ik zo. Daarna opnieuw met de tweede camera met zwart/wit film.

Voordat ik in de sneeuw ga graven aarzel ik. Twee jaar geleden stonden een paar leden van een Zwitserse expeditie op deze plek. Eén van hen werd ziek. Hij ging zitten, leunend tegen de hoogste steen, en is nooit meer opgestaan. Zijn lijk is ergens onder me verborgen en het lijkt me akelig zijn hoofd te treffen. Zorgvuldig kies ik het allerhoogste punt. Ik graaf tot ik de rotsen raak. Met de ijshamer tik ik een paar stenen los en stop ze in de rugzak.

Nog even kijk ik om me heen, ik gesp de rugzak om. Nacht, kou en wind rondom. 'Ik heb hier verder niets te zoeken,' zeg ik en zet de eerste stap in de richting van de noordwand. Ik verlang naar de afdaling, elke meter lager betekent meer lucht, weg uit de dronkenschap van het zuurstoftekort. Ik haal me de route van vorig jaar voor de geest. Ik had me die zó goed ingeprent, dat ik er niet aan twijfel dat ik ook nu, in het donker, veilig tot 7500 meter kan dalen. 'Nog één bivak, morgen de noordoostgraat, slapen in mijn tent op de pas, overmorgen terug bij Tashi, Panna en Maila in het basiskamp.'