Zangles

Van de oudvaderlandse liederenschat heeft alleen het Sinterklaasrepertoire de afgelopen halve eeuw overleefd. Het Zie de maan schijnt door de bomen / Makkers staakt uw wild geraas wordt door een overigens ieder jaar weer wat kleinere groep kleine kinderen nog altijd bij de schoorsteen gezongen. Het zou wel eens kunnen dat dit te danken is aan De Bijenkorf, de schatkamer van Sint Nicolaas. Maar het feest is op z'n retour en dus zal het met deze liedjes binnen afzienbare tijd ook wel gedaan zijn.

Ik kom erop doordat ik drie weken geleden op een ander oudvaderlands lied een toespeling maakte die door niemand werd begrepen. In Indonesië wordt de uitlaat van een auto knalpot genoemd - een laat overblijfsel van de Nederlandse aanwezigheid. Als je dat woord daar ergens op een garage leest, geeft het je onwillekeurig iets te denken. Dat had ik als voorbeeld gebruikt en vervolgens zijdelings gerefereerd aan het lied Hollands vlag, je bent m'n glorie / Hollands vlag, je bent m'n trots / 'k Roep van louter vreugd victorie! / Als ik je zie aan vreemde kust. Enz. Het bleek dat de meeste mensen van jonger dan vijftig het niet meer kennen. Hoe stond het dan, vroeg ik verder met het Ferme jongens, stoere knapen / Foei! Hoe suffens staat ge daar!/ Zijt ge dan niet welgeschapen? / Zijt ge niet van zessen klaar? Een enkele ondervraagde ging een licht op. En het Waar de blanke top der duinen / Schittert in de zonnegloed ? Iets beter, dank zij het Polygoon filmjournaal dat er zijn herkenningsmelodie aan ontleend heeft. Maar je moet al niet meer piepjong zijn om je dit nog te herinneren. En tenslotte het lied met het oudvaderlandse slot Wie wat worden wil/ Nee die zit niet stil / Nee die vaart het zeegat uit / Hem wacht rijke buit ? Daar had niemand ooit van gehoord.

Is er weleens een geschiedenis van deze vaderlandse liederenschat geschreven? Beknopt natuurlijk, niet te grondig en dan vooral met het oog op de geest van de tekst: dat zou een interessant zijlicht op de ontwikkeling van het Nederlandse geestesmerk kunnen werpen. Hieronymus van Alphen, tweede helft van de achttiende eeuw, leeft voort: Jantje zag eens pruimen hangen / O! Als eieren zo groot; en dan kunnen de meeste mensen zich nog wel herinneren, welke conclusie hij daaruit dreigt te trekken, maar de misstap wordt op het nippertje voorkomen. Hij krijgt de pruimen; een hoed vol. Van Alphen was in zijn tijd een relatief vooruitstrevend denker, met gevoel voor de dilemma's die een kind kunnen bezighouden. Zijn poëzie is vertaald in alle moderne talen en op muziek gezet. De muziek is verloren gegaan; de passages die de braafste braafheid uitstralen zijn gebleven: door het nageslacht eruit gevist, wat meer over het nageslacht zegt dan over Van Alphen.

Dan, aan het eind van de negentiende eeuw, krijgen we de laat imperialistische liederenschat, door mijn vader en moeder op school geleerd en aan mij doorgegeven. Maar op mijn lagere school was dat repertoire al van het programma afgevoerd. Het wekt late associaties met onze minister van buitenlandse zaken jonkheer H.A. van Karnebeek die in de jaren twintig met succes ons Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Limburg tegen de annexatieplannen van België heeft verdedigd. Toen ik als kind in het zanglokaal werd gedreven leerden we het lied van de Wielewaal (Dudeldjo klinkt zijn lied, (bis) en anders niet). Er voltrekt zich dan al een zekere denationalisering. Door de radio komt het kinderuurtje, de AVRO met het kinderkoort van Jakob Hamel: Jarig Jetje zou tracteren, alle kind'ren van de klas / Jetje had iets meegenomen waar ze zelf zo dol op was / Ulevellen bracht ze mee. In die tijd heb ik nooit iemand gesproken die weleens een ulevel had gegeten.

Doe ik nu navraag bij mensen die na de oorlog kind zijn geweest, dan lijkt het wel alsof het hele instituut zangles is vervaagd, verdwenen. Ook al door de omroepen heeft zich nog een poosje in de radio een verzuilde zangcultuur gehandhaafd - de Karekieten en de Nachtegaaltjes - maar voorzover ik het kan beoordelen is dat meer een stuiptrekking dan een restauratie of een reveil geweest.

Een jaar geleden ongeveer is in Nederland een discussie gevoerd over de 'nationale identiteit'. Men is er niet uitgekomen. Geen wonder. Je zou nu nog eens moeten proberen op een lagere school de leerkrachten zo ver te krijgen dat ze de kinderen het Ferme jongens, stoere knapen bijbrengen. De identiteit begint en eindigt in het zanglokaal. Loop eens op een mooie zomerdag langs een lagere school en luister naar de klanken die door het open raam naar buiten komen. Vaderlands gezang is het in ieder geval niet.

    • H.J.A. Hofland