Waterig complot van dijkgraaf en burgemeester

Rudie van Meurs: Hoog water. De macht van de boerenrepublieken in het rivierengebied. Scheffers, 175 blz. ƒ 29,90

De gedachte dat je met een plan een ramp kunt bestrijden stamt onmiskenbaar uit de jaren zestig. De maakbaarheid van de samenleving veronderstelde sturing van het individu. Met een doordacht en uitgeschreven plan moest het dus zelfs mogelijk zijn de in het nauw gebrachte burger accuraat te laten reageren op zoiets ongrijpbaars als een natuurramp.

De misvatting heeft lang nagewerkt. Tot de meest curieuze publicaties op dit gebied behoort het boek Geen Paniek. Bescherming tegen rampsituaties, waartoe het toenmalige Tweede Kamerlid prof dr ir J.J.C. Voerhoeve (nu minister van Defensie) zich in 1985 met co-auteurs liet verleiden. Het werk poogt te anticiperen op rampsituaties die de moderne mens kunnen treffen en heeft als boodschap dat de factor 'pech' in vrijwel alle situaties valt uit te schakelen. Als je maar een plan hebt. Om precies te zijn: een rampenbestrijdingsplan.

De invloed van het boek deed zich tien jaar later, in 1995, nog altijd gelden. Toen beleefde Nederland een ramp die er enkel en alleen aan was te danken dat er een bestrijdingsplan was: de evacuatie van honderdduizenden mensen uit de rivierengebieden wegens hoge waterstanden en dreigende dijkdoorbraken. De gereputeerde onderzoeksjournalist Van Meurs (Vrij Nederland, VPRO) beschrijft in Hoog water. De macht van boerenrepublieken in het rivierengebied dat de geest destijds alleen maar uit de fles raakte omdat er een plan was dat een ramp veronderstelde. De ramp zelf, een dijkdoorbraak, bleef uit.

De logische gevolgtrekking van Van Meurs is dat het rampenbestrijdingsplan niet deugde. De journalist suggereert in zijn boek een complot van dijkgraven en ijdele maar onwetende burgemeesters bij de opstelling van het plan. De geheime agenda stoelde volgens Van Meurs op twee menselijke factoren. De dijkgraven zagen zich onder druk van natuurbeschermers te lang beknot in hun wens de dijken te verhogen en zinden op een middel terug te meppen. De burgemeesters, vooral van kleinere gemeenten, snakten na jaren van anonimiteit naar grootse en meeslepende beslissingen.

In de zo ontstane coalitie van belangen kon het gebeuren dat enkele maanden vóór de evacuaties in Nijmegen een plan werd goedgekeurd dat zodanig lage voorwaarden aan een ramp stelde dat de ellende vanzelf uitbrak, suggereert Van Meurs. Twee 'schuldigen' noemt hij bij naam: de Nijmeegse burgemeester d'Hondt en directeur Kok van het waterschap Groot Maas en Waal. Kok, die inderdaad een dominante rol speelde bij de opstelling van het rampenplan, ging samen met d'Hondt enkele dagen voor de evacuaties zelfs over tot een lobby om Rijkswaterstaat tot hogere waterstandprognoses te verleiden. De ramp moest zo snel mogelijk komen, vermoedt Van Meurs, die hierin een nieuw bewijs ziet: d'Hondt en Kok waren zo trigger happy dat ze zelfs bereid waren de feiten te manipuleren.

Aan deze voorstelling van Van Meurs kloppen een paar dingen niet. Curieus is zijn suggestie - het bleek ook uit de publiciteit die hij deze week kreeg - dat hij nieuwe gegevens aan het licht brengt. Al die feiten - dat er nooit een ramp was uitgeroepen als er geen rampenplan in de kast had gelegen, de rol hierin van d'Hondt en Kok, hun lobby richting Rijkswaterstaat, het feit dat veel evacuaties plaatsvonden toen ze niet meer nodig waren, de nodeloze opwinding over de dijk bij Ochten - werden al op 11 februari 1995, twee weken na de non-ramp, in deze krant beschreven.

Het verschil is dat daarin destijds niet het complot werd gezien dat Van Meurs nu openbaart. De schrijver wijdt veel grote woorden aan die samenzwering, maar biedt niet het minste bewijs. En hij sluit de ogen voor feiten die niet in zijn theorie passen. Zo is op grond van openbare gegevens eenvoudig vast te stellen dat d'Hondt en Kok destijds gelijk hadden toen ze bezorgd waren over de lage waterstandprognoses van Rijkwaterstaat. Vijf dagen voordat de Rijn de hoogste stand bereikte (16.68 meter bij Lobith) hield Rijkswaterstaat vol dat het water niet hoger dan 16.20 m zou komen. Een canard. Weliswaar achteraf goed te verklaren, maar het neemt niet weg dat d'Hondt en Kok alle recht van spreken hadden met hun acties richting Rijkswaterstaat.

Van Meurs maakt vanaf de eerste bladzijde bovendien duidelijk aan wiens kant hij staat. Het autoritaire beheer van de boerenstand over de dijken is hem vanaf zijn prilste jeugd een doorn in het oog is geweest. Hij identificeert zich met de natuurliefhebbers die menen dat de dijkverzwaringen esthetisch veel verantwoorder hadden gekund dan de waterschappen lange tijd voor hun rekening namen. Met onverholen walging beschrijft hij daarom het revanchisme van de traditionele dijkbeheerders na de non-ramp. Van Meurs ziet er een bevestiging van zijn theorie in: die hele ramp diende slechts als middel om de inspraak van de milieubeweging in de dijkendiscussie te ondermijnen.

Zo bezien illustreert Van Meurs' boekje dat de hopeloze polarisatie in het rivierengebied nog altijd voortleeft. Dat beide partijen voor een deel verantwoordelijk zijn voor de escalatie, is voor hem geen punt van overdenking. Toch is het zo, dat verhoging van dijken lange tijd is opgehouden door de eisen van de milieubeweging, zoals het evenzeer een feit is dat de waterschappen dijken jarenlang op fantasieloze, landschapsvervuilende wijze hebben verhoogd. Dat de waterschappen belang hadden bij de evacuaties, is wel duidelijk. Maar dat bewijst nog niet dat ze die op grond van valse argumenten hebben afgedwongen.

Als zijn stelling zou kloppen, had Van Meurs er ook in moeten slagen de sociologie van de non-ramp te verklaren. Want waar hij aannemelijk maakt dat een dijkdoorbraak nooit serieus in het verschiet heeft gelegen, is het hem niet gelukt duidelijk te maken waarom al die honderdduizenden mensen zo gedwee hun spullen pakten en de vlucht namen. Uit niets blijkt dat hij zelfs maar een poging heeft gewaagd dit raadsel te ontwarren. Hij heeft aandacht voor een dorpsgekke mevrouw die de dijkbeheerders in een vroeg stadium op het nakend onheil wees, maar werkelijke interesse voor de motieven van de evacué's legt hij niet aan de dag. Ze komen niet aan het woord, hoewel zij met hun koeien, katten en bankstellen de ruggengraat van de non-ramp vormden. Zij wantrouwden de autoriteiten niet, ze woonden aan de dijken, zij waren de deskundigen bij uitstek.

Volgens de auteur lag dat, behalve aan burgemeesters en dijkgraven, vooral aan de media. Hij spaart wat dat betreft niemand. Te vrezen valt dat Van Meurs hierin gelijk heeft. Met grotere afstand van de autoriteiten en meer ambachtelijke nuchterheid had de journalistiek destijds sneller kunnen uitleggen dat er niet al te veel aan de hand was.

Maar Van Meurs zelf maakt zich aan hetzelfde gebrek aan nuchterheid schuldig. Het belangrijkste nieuwe feit dat hij met dit boekje onthult is dan ook dat de activist Van Meurs nog altijd in leven is.