Vrouwen en kinderen terug naar Rwanda

GISENYE, 15 NOV. Hun schamele bezittingen in rollen op het hoofd, daaronder het uitgehongerde lichaam, en angst, angst in alle ogen. Zo passeren losse groepjes Rwandese Hutu-vluchtelingen de grens vanuit Zaïre terug naar eigen land. De samenstelling van de groepjes is telkens dezelfde. Een oude man met enkele vrouwen, meisjes en kleine jongetjes.

Geen mannen, geen grotere jongens. Zij zijn achtergebleven. De situatie in de kampen in Zaïre was de afgelopen dagen zo ondraaglijk geworden dat de vluchtelingen de stad Goma zijn ingetrokken en een deel van hen vandaar verder naar Rwanda is gegaan.

Het Wereldvoedselprogramma van de Verenigde Naties heeft vanmorgen meegedeeld voldoende voedsel in Rwanda te hebben opgeslagen om 200.000 vluchtelingen gedurende tien dagen op te vangen.

Gisenye biedt een surrealistisch beeld. De stad ligt ingeklemd tussen het imposante nationaal vulkaanpark en het azuurblauwe Kivu-meer. De fraaie stad met een grote Hutu-meerderheid was een geliefd vakantieoord voor de beter gesitueerde Rwandees.

Het was er aangenaam verpozen. Totdat de waanzin van 1994 toesloeg en ook in Gisenye vreselijke moordpartijen plaatshadden op de Tutsi's.

De idylle is onveranderd. Hotel Palm Beach oogt alsof er niets aan de hand is, maar het uitzicht is veranderd. De toeristen zijn weg. Nu zijn het de terugkerende vluchtelingen die het straatbeeld bepalen.

De 67-jarige Jean Baptiste leidt een 'kudde' van twintig vrouwen en kinderen, de meesten blootsvoets. Ze zijn niet afkomstig uit Mugunga, maar uit het kamp Kahindo en hebben zestien dagen door het oerwoud getrokken om de 70 kilometer te overbruggen.

Achter de gammele slagboom die de twee landen scheidt, staat het Rwandese 'ontvangstcomité', bestaande uit militairen in strakke uniformen en pico bello geklede leden van de geheime dienst - spijkerbroek, stetson, dure sportschoenen en Embassy filtersigaretten. Ze leiden de Hutu's naar een paar provisorische wachthuisjes die zijn opgezet als bescherming tegen de zon.

De vluchtelingen schurken tegen elkaar aan. Kinderen kruipen bij hun moeder onder de rokken of vechten om de bananen die ze krijgen. Een ondervoede baby met holle oogjes huilt voortdurend. De agenten ondervragen de volwassenen, met name Baptiste moet vertellen wie hij is, waar hij vandaan komt en vooral waar de andere mannen zijn. Het lijkt alsof speciaal voor deze taak Tutsi's zijn uitgezocht die nog langer zijn dan gemiddeld om vooral het verschil te onderstrepen met de terugkerende Hutu's.

“De Hutu-milities wilden niemand laten gaan”, zegt Baptiste, “en vooral de mannen en de jongens niet”. Hij is er met zijn lotgenoten stiekem vandoor gegaan, op zoek naar voedsel. De Tutsi-autoriteiten horen het verhaal rustig aan.

Pag.4: 'Je mag niet van Hutu's en Tutsi's spreken'

Ze zijn vriendelijk voor hun teruggekeerde landgenoten, tenminste voor het oog van de buitenwereld. Als de ondervraging na een kwartier klaar is, mogen de vluchtelingen in een bus van het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR) stappen die hen naar opvangkampen even buiten Gisenye brengt.

Meneer Baptiste is vrij lang voor een Hutu. De voor de hand liggen vraag is dus: “Wat bent u?”. “Pssst”, sist een hulpverlener. “Je mag niet meer over Hutu's en Tutsi's spreken, alleen over korte en lange mensen”. De huidige door 'langen' geleide regering van Rwanda heeft bepaald dat het etnische onderscheid tussen de twee groepen niet langer een rol mag spelen. Uit de identificatiebewijzen is de vroegere aanduiding Hutu of Tutsi geschrapt.

Dit betekent niet dat de Rwandezen het verschil zelf niet meer maken maar het bewind van president Pasteur Bizimungu (een Hutu) wil, hoe kunstmatig voorlopig ook, terug naar de tijd van vóór 1994 waarin de bevolkingsgroepen door elkaar heen leefden. Kigali presenteert zich dezer dagen als een keurig regime dat zich houdt aan de rechtsregels.

In hoeverre dit gebeurt om internationale hulp aan te trekken is nog onduidelijk, maar alle hulporganisaties zijn lovend over de regering en de opvang van de repatrianten. De kampen buiten Gisenye zijn ordentelijk aangelegd in een loofwoud. De hutjes zijn bedekt met blauw zeil. Op straat voor een van de kampen hollen kinderen van een weeshuis vrolijk rond. Ze spelen met lege wielvelgen die ze voortdurend met een stok voor zich uit bewegen. Of ze rollen met houten fietsen van de heuvels af. Voedsel en andere eerste levensbehoeften zijn in voldoende mate aanwezig.

Van hieruit moet de herintegratie in de Rwandese samenleving plaatshebben. Lang niet alle teruggekeerde 'korten' verkeerden aan de overkant in kommervolle omstandigheden. “Er waren slechte en goede kampen”, zegt een medewerker van UNHCR. “In sommige kampen in Zaïre hadden de vluchtelingen een veel beter leven dan de gewone Zaïrezen buiten het kamp”, aldus een Westerse waarnemer in Kigali. “Op een gegeven moment was de ondervoedingsgraad in de kampen nul. Dat is voor Afrikaanse begrippen uniek”.

De meest problematische en pijnlijkste operatie die bij terugkeer van de Hutu-vluchtelingen naar Rwanda zal moeten plaatshebben is het opsporen van de daders van de genocide in 1994. Volgens Chiel Lijdsman, een Nederlandse consultant die al jarenlang in Rwanda woont, is het scheiden van de schuldigen van de onschuldigen niet zo moeilijk als het door sommigen wordt voorgesteld. “Rwanda is klein, iedereen kent elkaar. Het is al lang bekend wie er heeft gemoord. De lijsten daarvan bestaan al”.

Lijdsman ziet wel een ander probleem: het feit dat het aantal schuldigen zo groot is - door hem geschat op tussen de 200- en 300.000. Aan de slachting onder de Tutsi's namen twee en een half jaar geleden hele volksstammen deel. Niet alleen de beruchte Interahamwe, ook vrouwen, nonnen, priesters, iedereen hanteerde het hakmes. “Het beste zou zijn als ze hier een paar honderd daders zouden doodschieten. Als een soort gebaar naar de overlevenden. Enkele kopstukken van de Interahamwe zouden ze dan in Arusha (het tribunaal voor Rwanda in Tanzania) kunnen laten berechten en de kleine moordenaars zullen ze wel moeten laten gaan. Iedereen die minder dan tien moorden heeft gepleegd, mag doorlopen. Het is alleen al praktisch ondoenlijk om iedereen die heeft gemoord op te sluiten.”

Lijdsman schat het aantal doden dat in 1994 is gevallen hoger is dan een miljoen en dichter bij de twee miljoen ligt. Hij rekent daarbij ook de slachtoffers van een aansluitende cholera-epidemie en de doden die zijn gevallen onder de Hutu's tijdens het offensief van het Rwandese Patriottisch Front dat nu de regering vormt.

    • Lolke van der Heide