Stijgende lijn

De schrijfster Daphne Meijer (35) vertrekt op 1 januari naar het Amerikaanse Ann Arbor om 'writer in residence' te worden aan de Universiteit van Michigan.

Dat is een eervolle betrekking, die eerder werd vervuld door schrijvers als Thomas Rosenboom, Rob Schouten en Renate Dorrestein. Het Nederlands Literair Produktie- en Vertalingenfonds dat het Amerikaanse gastschrijverschap in Ann Arbor mede-organiseert en -betaalt, koos Meijer uit veertien geïnteresseerde kandidaten. Het is de bedoeling dat ze in Amerika les gaat geven in Nederlandse literatuur en creatief schrijven. Meijer hoopt daarbij te kunnen putten uit de ervaringen die ze opdeed bij het schrijven van haar eerste twee romans en tijdens haar lessen voor de nu door het ministerie van Onderwijs, Wetenschappen en Cultuur gesubsidieerde schrijversvakschool 't Colofon. In 1993 verscheen van haar Resten van de eeuw, twee jaar later gevolgd door de historische roman Het plezier van de duivel.

Het was vooral dit laatste boek dat Daphne Meijer in een brede kring bekendheid gaf. Het kreeg een twintigtal voor het merendeel positieve recensies en moest na twee maanden worden herdrukt. De criticus van de Volkskrant roemde de voorbeeldige compositie van het boek en sloot zijn recensie af met: 'Hier past een reverence'. De Groene Amsterdammer noemde de roman heel mooi en bijzonder: 'levendig, kleurrijk en precies op maat gesneden,' en ook deze krant liet zich niet onbetuigd. Het plezier van de duivel was één van de aangenamere verrassingen van het vorige najaar.

Het Fonds voor de Letteren, dat de werkbeurzen voor schrijvers verdeelt, denkt daar echter anders over. Daphne Meijer had het afgelopen jaar, zoals zoveel schrijvers, een bescheiden werkbeurs aangevraagd (twee keer een vier-maandsbeurs van ongeveer 19.000 gulden) om omgestoord aan een nieuwe roman te kunnen werken, maar het fonds had daar weinig vertrouwen in. Zonder argumentatie liet het bestuur haar deze zomer weten de aanvraag niet te honoreren. Toen ze vroeg waar dit oordeel op gebaseerd was, kreeg ze een toelichting waaruit bleek dat haar aanvraag door twee commissies uit het bestuur was bekeken en te licht bevonden. Hoewel een verder anoniem gebleven leescommissie, die het bestuur geraadpleegd had, wel iets goeds in haar laatste roman had ontdekt, was een 'punt van kritiek' volgens het fonds dat de schrijfster er niet in was geslaagd om 'op overtuigende wijze tot een psychologische karaktertekening te komen'. Ook had het vele speurwerk in de archieven dat Meijer voor haar roman had verricht, niet tot 'een overtuigend tijdsbeeld' geleid. Het Fonds voor de Letteren signaleerde in Meijers werk weliswaar 'een stijgende lijn' en een 'interessante ontwikkeling' maar dit was te weinig om tot subsidiëring over te gaan. Men wilde eerst het verdere verloop van haar schrijverschap afwachten.

Spreekt de overheid hier met twee monden? Het ene overheidsfonds kiest een schrijfster uit om in Amerika als boegbeeld van de Nederlandse literatuur te fungeren, en Amerikaanse studenten uit te leggen hoe ze romans moeten schrijven. En het andere fonds vindt dat dezelfde schrijfster er niet veel van kan.

Het incident kan een aanleiding zijn om nader naar de huidige subsidiepolitiek van het Fonds voor de Letteren te kijken. Daphne Meijer is niet de enige geprezen auteur die dit jaar onder vuur is genomen. Ook de schrijver Kees van Beijnum (42), auteur van Dichter op de Zeedijk, kreeg deze zomer te horen dat hij, ondanks de grote waardering voor zijn laatste werk, niet voor een werkbeurs in aanmerking kwam. Ook bij hem kwam het bericht hard aan. Zijn tweede boek Hier zijn leeuwen was genomineerd voor de Dordtse Debutantenprijs en zijn laatste boek had het zelfs tot een nominatie voor de AKO-prijs gebracht. Veel lezers vonden het boek, dat inmiddels aan een zevende druk toe is, het beste van de zes genomineerde. Ook de kritiek liep ermee weg. In de door 77 Nederlandse en Vlaamse critici opgestelde top-honderd van het Jaarboek Mekka eindigde Van Beijnums Dichter op de Zeedijk op de 23ste plaats (en als de veertiende Nederlander), een paar plaatsen voor Daphne Meijers Het plezier van de duivel.

Voor het fonds telt dat alles niet mee. In een brief aan Van Beijnum liet het weten zijn eigen beoordelaars te hebben die niet de zelfde mening als critici hoeven te hebben.

Maar mag de discrepantie zo groot zijn? Mogen een paar bestuurders auteurs fnuiken die zoveel waardering genieten?

De afwijzing van Meijer en Van Beijnum zou misschien nog te begrijpen zijn geweest als het fonds over een beperkt budget beschikte waaruit alleen de allerbeste schrijvers betaald konden worden. Maar niets is minder waar. Het bedrag voor rechtstreekse steun aan schrijvers en vertalers bedraagt dit jaar negen miljoen gulden. Het afgelopen jaar ontvingen meer dan tweehonderd Nederlandse en Vlaamse schrijvers een werkbeurs. Onder hen zijn kopstukken, die ondanks hun hoge productie en hun reputatie niet van hun werk kunnen leven,maar de meesten zijn schrijvers die van tijd tot tijd met een boek komen dat niet overal met enthousiasme wordt onthaald. Schrijvers die vorig jaar een maximale twaalf-maandsbeurs (55.800 gulden) kregen, zijn H.C. ten Berge, Jeroen Brouwers, Louis Ferron, Jacques Hamelink, Geerten Meijsing en Jacq Vogelaar. Een bijna maximale tien-maandsbeurs (46.500 gulden) kregen Max Dendermonde, Leonard Nolens, Kees Ouwens, Ethel Portnoy, Ger Verrips en Aya Zikken. Niemand zal, denk ik, willen volhouden dat dit het puikje van de Nederlandse literatuur is.

Het Fonds voor de Letteren geeft als belangrijkste argument voor de afwijzing van Meijer en Van Beijnum dat het budget beperkt is. Van Beijnum: 'Ze zitten met een erfenis.' Er is een groot aantal gevestigde schrijvers dat al subsidie krijgt en het systeem is dat wie eenmaal een werkbeurs heeft, deze niet zo snel weer kwijtraakt. Daar komt bij dat er een toeloop is van Vlaamse schrijvers op de Nederlandse werkbeurzen. Elke nieuwe aanvraag wordt daarom door twee commissies bekeken, die ieder uit drie bestuursleden van het fonds bestaan: twee neerlandici, twee kinderboekenschrijvers, een kinderboekencriticus en de schrijfster Nelleke Noordervliet. Zij bepalen met hun zessen welke schrijvers geld krijgen en ze kunnen daarbij steunen op adviezen van 'externe lezers'. Dit zijn mensen die, zo laat het Fonds weten, worden gerecruteerd uit een bestand van 'mensen die vaker adviezen geven': academici, leraren, en anderen van wie het fonds denkt dat ze veel lezen en in staat zijn een kwaliteitsoordeel te leveren.

Bezwaar maken tegen het oordeel van het fonds is mogelijk. Er is een bezwaarprocedure. De schrijver wordt in dat geval gehoord door twee bestuursleden van het fonds en een juridisch medewerker. Meijer en Van Beijnum hebben daar gebruik van gemaakt. Daphne Meijer moest echter ontdekken dat dit in haar geval bitter weinig heeft uitgehaald. Haar beroepscommissie werd door hetzelfde bestuurslid voorgezeten, dat haar verzoek eerder had helpen afkeuren en haar voorstel voor een tweede beoordeling, werd resoluut afgewezen. Het fonds, zo kreeg ze te horen, staat op het standpunt dat het 'een eigen verantwoordelijkheid heeft bij het vormen van een kwaliteitsoordeel'. Het houdt daarom ook zoveel mogelijk afstand van recensies, prijzen en juryrapporten.

Kees van Beijnum had meer geluk. Hij kon op de zitting wijzen op eerdere, anders getooonzette brieven van het fonds. Bij een vorige afwijzing had men hem nadrukkelijk laten weten dat aan de hand van zijn volgende boek zou worden bepaald of hij in de subsidieregeling werd opgenomen. Nu dat boek door het fonds zeer positief beoordeeld was, had het bestuur geen been meer om op te staan. Zijn afwijzing werd vernietigd en hij krijgt nu een kleine werkbeurs.

Daphne Meijer heeft inmiddels genoeg van het fonds. Zij dient geen aanvragen meer in. Ze piekert er niet over om haar 'ontwikkeling' nog langer door anonieme commissies te laten doormeten. 'Wat mij zo stoort in hun manier van werken is hun vaagheid, hun achterom kijken naar oud werk, in plaats van naar mijn potentieel te kijken. Dat het geld op is, kan ik wel begrijpen, maar waarom moet die boodschap worden ingekleed met pretentieus geneuzel over de kwaliteit van mijn werk? Zijn die schrijverssubsidies nu bestemd voor schrijvers die, zoals ik, aan het begin van hun carrière staan en nog in ontwikkeling zijn, of is het bedoeld als een alternatieve en chique sociale dienst voor mensen die geacht worden niet voor zichzelf te kunnen zorgen? Misschien is het wel beter om niet afhankelijk te worden van al die geldtoestoppende subsidiegevers. Ik schrijf wel door.'

Het Fonds voor de Letteren laat weten Daphne Meijer een veelbelovend schrijfster te vinden. Directeur Sylvia Dornseiffer: 'Ze moet nog even geduld hebben, maar we wachten met spanning af.'

    • Reinjan Mulder