Reisverslag Josef Winkler; Notitieboek vol smeulende doden

Josef Winkler: Domra - Am Ufer des Ganges. Suhrkamp, 260 blz. ƒ 53,20 (geb)

Shockerende taferelen beschrijven zonder er een oordeel over te vellen: niet iedereen is deze kunst gegeven. Als de plaats van handeling dan ook nog eens een derde-wereld-land is, kost het de meeste westerse reizigers helemaal veel moeite om geen commentaar te leveren. Günter Grass reisde naar India en schreef in de vorm van het prozawerk Zunge zeigen een verbijsterd commentaar op de armoe en ellende aldaar. Josef Winkler reisde naar India en kwam terug met een boek vol aantekeningen waarin hij de feiten voor zích laat spreken.

Dat probeert hij tenminste. De auteur van Domra kun je niet op verontwaardigd moralisme betrappen, want Winkler beperkt zich tot de kale weergave van observaties en laat eventuele kritiek achterwege. Noch aan de vreemdelingen om hem heen noch aan zichzelf stelt hij vragen, en eigenlijk maakt deze reiziger het zichzelf met zijn schijnbare objectiviteit best gemakkelijk. In India doet hij namelijk wat hij altijd al deed: hij gaat er op zoek naar beelden van dood en destructie. Varanasi, de heilige stad aan de Ganges, is voor de necrofiele Josef Winkler een ideale reisbestemming.

Hier vergaapt hij zich zeven maanden lang aan de rituele lijkverbrandingen. Dag in dag uit zit hij met pen en notitieboekje naast de smeulende, smorende doden. Hij hoort hoe schedels openbarsten, hij ziet hoe ogen koken, hij ruikt het sandelhout vermengd met mensenvlees. Met een aan bezetenheid grenzende precisie doet hij verslag van de telkens net iets andere manier waarop benen de lucht in steken, armen van rompen vallen, maagsappen naarbuiten borrelen. Bij Winkler klinkt dit allemaal zo authentiek dat ik nu eens huiverde en dan weer ontnuchterd m'n schouders ophaalde. Zo gaat dat dus, het opruimen van de overledenen: stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren, ashes to ashes, niets aan de hand. Het enige verschil is dat Nederlandse gestorvenen reukloos en onzichtbaar in betonnen bunkers verbranden terwijl bezweken Indiërs op de trappen naar de Ganges open en bloot in rook opgaan: voor die directe omgang van de levenden met de doden valt zeker iets te zeggen, ook al vinden wij de afwerking daarginder misschien niet bijster hygiënisch.

Uit het vuur geviste menselijke resten worden er volgens Winkler zomaar in de rivier gesmeten, en kinderen krijgen er sowieso geen crematie: men kiepert hun met stenen verzwaarde lijkjes domweg overboord. En een paar meter boven de kinderlijkjes dobberen andere kinderen lachend rond op oude autobanden. Ja, ja, de Ganges geeft en neemt. Is het geen prachtig symbool van de eindeloze cirkel van dood en leven dat de Indiërs zich onbekommerd met dat heilige lijkenwater reinigen en er zelfs van drinken? Of zouden zij zulke levensgevaarlijke gebruiken onmiddellijk moeten afschaffen? Josef Winkler geeft geen antwoord op deze vragen omdat hij ze immers niet stelt.

Hij neemt genoegen met de buitenkant en laat zich kennen als een estheet van de gruwelijkheid. Het is alsof hij zijn angst voor de vergankelijkheid van al het vlees wil bezweren door net als de rouwende hindoes steeds dezelfde zinnen te prevelen. Lange, gekunstelde zinnen zijn dat in Winklers geval, grammaticaal ingewikkelde bouwsels die zowel aan het drammerige Duits van Thomas Bernhard als aan de pseudo-documentaire nauwgezetheid van Heinrich von Kleist doen denken.

'Bij de Harishchandra Ghat, waar aan de oever van de Ganges een dode gecremeerd werd en de versgeschoren, kaalhoofdige, slechts een naadloze witte katoenen doek om zijn naakte lichaam dragende oudste zoon van de dode in de slotceremonie een met het heilige water van de Ganges gevulde aarden kruik naar achteren over zijn schouders op de warme, nog rokende as wilde gooien opdat de kruik brak en het heilige water zich met de as van de dode vermengde, op dat moment ving een kleine, blootvoetse, achter de rug van de kaalhoofdige met een witte katoenen doek beklede man om loerende jongen de aarden kruik op en holde onder het geschreeuw van de hem achternarennende mannen over de zandheuvel, op het eeuwig brandende vuur af, de wijk van de domra in.' Zo schrijft de 42-jarige Josef Winkler als hij goed op dreef is.

Nog veel meer zou ik willen citeren. De honden die in de warme as wroeten op zoek naar botten waar nog wat vlees aan zit; de kinderen die hun in het water gevallen vliegers even boven zo'n brandstapel houden om ze te laten drogen; de gieren in de bomen en de geiten die gretig de bloemen opeten waarmee de doden voor hun crematie waren versierd: het zijn indrukwekkende details. De Oostenrijker Josef Winkler heeft zoals wel meer Oostenrijkse schrijvers uit de barok-katholieke traditie een scherp oog voor de omnipresente dood, voor het vreten-en-gevreten-worden, en het aardige is dat in Domra ook degenen die nog niet dood zijn ruimschoots aandacht van de kunstenaar krijgen. De domra, dat zijn de lijkverbranders. Hun kinderen maken lol tussen de kadavers en onder de dunne lendedoekjes van de jongens tekenen hun geslachtsorganen zich duidelijk af.

En sommige van deze jongens beseffen dat die vreemde witte snuiter met zijn gouden vulpen naar hen kijkt. Uitdagend schuiven ze dan even hun doek opzij, of ze doen vlak voor de neus van de schrijver hun behoefte, waarna ze omstandig met Gangeswater hun achterste gaan zitten schoonpoetsen. Ook deze beelden zijn indrukwekkend - en toch verdienen al die details bij elkaar niet het pretentieuze predikaat 'roman'. Ik miste iets wat in de vorige boeken van Josef Winkler wèl een grote rol speelde: zijn Oostenrijkse jeugd. Wat kon hij, in Friedhof der bitteren Orangen bijvoorbeeld, prachtig schrijven over de twee jongens uit zijn geboortedorp Kamering die zich hadden opgeknoopt met behulp van een touw waarmee hun vaders kalfjes uit koeienbuiken hadden gehaald! Hoe graag had Josef Winkler, de verwaarloosde en dikwijls mishandelde zoon van een Karinthische boer, zich niet bij die twee jongens gevoegd!

In Friedhof der bitteren Orangen (1990) wist Winkler een reisverhaal met traumatische herinneringen te verweven, een combinatie die zijn beschrijvingen diepte gaf. In Domra echter werd hij dermate in beslag genomen door het Indische hier en nu dat er amper tijd overbleef om achterom te kijken. Echt interessant zou een vergelijking van de hindoeïstische doodsrituelen met die van de katholieken in Kamering zijn geweest - maar Winkler komt daar niet aan toe. Hij komt niet toe aan wat voor reflectie dan ook. Daarom stelde Domra, ondanks de krachtige details, mij uiteindelijk een beetje teleur.

    • Anneriek de Jong