Puree van luchtigheid

Vladimir Arsenijevic: De sterfmaand. Een soap-opera. Vertaald uit het Engels door Marieke Hulshoff. Bert Bakker, 128 blz. ƒ 29,90

Een soap-opera is niet direct het genre dat je zou verwachten bij een boek uit voormalig Joegoslavië. Toch is dit de ondertitel bij de roman De sterfmaand van de jonge auteur Vladimir Arsenijevic. En inderdaad, zoals past bij het genre vormen huiselijke gebeurtenissen de hoofdmoot in De sterfmaand. De naamloze ik-figuur woont met zijn vriendin in Belgrado. Ze hebben elkaar leren kennen aan de zelfkant van de maatschappij, waar zij dealer in harddrugs was en hij haar klant.

Rode draad van het verhaal zijn de drie laatste maanden van haar zwangerschap, omwille waarvan het stel zich ordentelijk heeft gevestigd en clean is geworden. Die drie maanden - oktober, november en december 1991 - zijn tevens de maanden waarin het duidelijk werd dat Joegoslavië onomkeerbaar in een bloederige oorlog terechtgekomen was. En zo gebeurt het dat passages over de voorbereidingen op de aanstaande bevalling, klusjes in huis en strubbelingen met schoonouders afgewisseld worden door en vervlochten met elementen van een heel andere orde. Van een orde, die met een normaal familiaal en sociaal leven niet te verzoenen is en die gevormd wordt door recruteringsofficieren, oproepingsbrieven en sterfberichten. De jongere broer van de vriendin sneuvelt, velen emigreren om de militaire dienst te ontlopen, een vriend die verminkt werd pleegt zelfmoord.

Wie echter verwacht dat zich hier het tweede kenmerk van de soap-opera, nadrukkelijke en overdreven sentimentaliteit, doet gelden, komt bedrogen uit. De sterfmaand blinkt uit door afstandelijkheid en ironie, door voortdurende relativering en de-sentimentalisering. Alles wat maar zweemt naar tragiek is in deze roman goed voor een olijke blasfemie of een studentikoze kwinkslag. En dat gaat tegenstaan. De opzet van Arsenijevic is duidelijk: de oorlog zelf buiten beeld laten en alleen zijn verwoestende invloed tonen op het normale verloop van normale mensenlevens. Maar hij holt zichzelf voorbij in zijn relativeringsdrang. Van de angst, wanhoop en woede die zich in die dagen van de Joegoslavische bevolking meester moeten hebben gemaakt, komt in De sterfmaand te weinig over. Arsenijevic laaft zich aan zijn eigen welsprekendheid. Wat hij had kunnen zeggen zakt weg in een puree van luchtige spitsvondigheden en triviale filosofietjes, overgoten met een saus van vrijblijvendheid.

En dat is heel jammer, want schrijven kan hij wel. Dat blijkt uit de passages waarin hij even vergeet de afstand in acht te nemen waar hij zich kennelijk toe verplicht heeft. De ontmoeting, bijvoorbeeld, van de ik-figuur met een vriend die zojuist invalide is teruggekeerd van het front. Hier toont Arsenijevic soberheid en diepgang. Helaas staan er te weinig van zulke passages in De sterfmaand.

    • Helen Saelman