Personages als loze ballast

Margaret Drabble: The Witch of Exmoor. Viking, 276 blz. ƒ 33,55

Het leukste dat Margaret Drabble (1939) ooit geschreven heeft is misschien haar eigen lemma in de befaamde Oxford Companion to English Literature. In de door haar geredigeerde editie springt ze van het lemma 'drab' zomaar over op 'Dracula', nieuwsgierige lezers en eventuele malicieuze critici verbluft achterlatend. De meeste van de grapjes in haar nieuwe roman, The Witch of Exmoor, zijn minder geslaagd. En niet alleen de grapjes. The Witch of Exmoor bevat een aantal uitstekende verhaalgegevens, zoals de excentrieke oude vrouw van de titel, die zich in een nog excentriekere bouwval ('What folly's folly') terugtrekt om wraak te nemen, dat wil zeggen haar memoires te schrijven. Dan zijn er twee dochters en een zoon die haar maar een lastig wijf vinden, een spoorloze vader, en een superbegaafde kleinzoon naast wat gewone en een drugsverslaafde. Naast de ega(a)'s van verschillende pluimage - niet allemaal even kleurig - is er een vage Jamaicaanse ex-gedetineerde hasjroker die klaploopt bij moeder en dochter en dan de laatste blijkt die de oude vrouw in leven heeft gezien. Het is nog niet genoeg voor Drabble. Vooral aan het eind van het boek, als de kleine erfgenaam Benjamin depressief en koortsig te bed ligt, diept de schrijfster een hele serie nieuwe personages op die soms klinkende namen of achtergronden hebben - Robert Maxwell, Nick Leeson, een kinderpsychiater uit Dachau, een 'lipsticked lesbian from Leeds', Bruno Bettelheim - maar er binnen de roman eigenlijk volstrekt niet toe doen. Het boek krijgt zo veel ballast mee dat het uiteindelijk niet van de grond komt.

De gretige lezer - het is vijf jaar geleden dat het laatste deel, The Gates of Ivory, verscheen in een veelgeprezen drieluik - kan genieten van trucjes als een ouderwetse verteller/explicateur die ons zelfs aanspreekt, dan weer Drabble's (post)moderne citeerlust, haar kritische blik op het nog altijd in klassen verdeelde hedendaagse Engeland, en de genadeloze precisie waarmee ze minder fraaie achterkanten van de drijfveren die haar personages kenmerken blootlegt. Drabble's psychologische kwaliteiten zijn opzienbarend groot, in deze roman welhaast groter dan haar literaire. Er staan lelijke zinnen in The Witch of Exmoor, veel personages worden zonder reden in leven geroepen, hele plotlijnen lopen vast of vervagen, en het schrijnende verschil tussen arm en rijk wordt teruggebracht tot sociologische statistieken. Onze sympathie gaat uit naar de zotte intellectuele oude vrouw in haar schimmelende bouwval vol zwarte zwammen, en naar haar Guyanese schoonzoon David D'Anger (ja, inderdaad danger-ous) met wie ze een bijzondere band heeft. Zij tweeën dragen de roman, met hun aan de filosofie ontleende gezelschapsspelletje 'the Veil of Ignorance' waarbij de deelnemers zich moeten verplaatsen in een zelf in te richten samenleving, maar zonder van te voren te weten op welke trede van de sociale ladder ze terecht zullen komen. Die van de knappe en geslaagde politicus David D'Anger, of die van de Jamaicaanse stuurloze armoedzaaier wiens hele levensgeluk in hashdampen zit? De roman eindigt bizar maar onbevredigend. We moeten het hebben van Drabble's scherpe psychologische en sociologische observaties, een hoog gehalte Britsheid, en de snijdend onverschillige manier waarop de diverse familieleden met elkaar omgaan. Als de oude moeder Frieda opeens spoorloos verdwenen is reageren haar kinderen met 'How fucking inconvenient' en 'What a damn nuisance'; en Frieda op haar beurt bekent in haar memoires (nabestaanden, blijft van privé-computerbestanden af!): “It was a mistake, having three children. It was a mistake having any. I can't think why I did. I never meant to. They just happened. (...) Daniel was a hideous baby. Dark red and blue. I remember looking at him and thinking, 'What is that?' Grace wasn't much better. Rosemary was the only reasonably pretty one, and look what she turned into.”

Margaret Drabble klinkt in haar dertiende roman soms als een vervelende ouwe zuurpruim, en soms als een leuke. Of een onzinnige: 'Frankly, he is too nice-looking to be pure-bred English. The pure-bred English are a motley, mottled, mongrel ugly breed, blotched with all the wrong pigments, with hair that does not do much for them at all. The English are clumsy and gross and at the same time runtish. Their bodies are thick, their faces either pinched and beaky like mean birds or shapeless as potatoes.'