Maden in de wonderkamer; De animatiefilms van de gebroeders Quay

“We behandelen onze acteurs met evenveel liefde als onze poppen”, zeggen de animatiefilmers Stephen en Timothy Quay. In de surrealistische films van de tweelingbroers worden poppen onthoofd en marcheren spelden. Op het Holland Animation Festival wordt volgende week hun eerste lange film, Institute Benjamenta, getoond.

Holland Animation Filmfestival. Zesde editie. 20 t/m 24 nov. Camera/Studio en 't Hoogt, Utrecht. Onder de ruim 650 vertoonde films bevinden zich zes Nederlandse premières van lange animatieprodukties. Inl. en res. 030-2328388 of 2331733.

“Hier heeft iemand van zitten eten”, constateert Stephen Quay, terwijl hij teder een geprepareerd muizenlijkje uit een bak met snuisterijen tilt. De buik van het kadaver is opengebarsten en met een loep onderwerpt tweelingbroer Timothy het aan een nader onderzoek. Maden blijken de boosdoeners. Nu zie ik pas dat de muis een roze gebreid vestje aanheeft.

Het Atelier Koninck, vernoemd naar een Belgisch biermerk, is de naam van de werkplaats van de gebroeders Quay (Philadelphia, 1947). Van onder tot boven is de ruimte, op de eerste etage van een voormalig pakhuis in de Londense wijk Southwark, tussen een opslagplaats van bevroren vis en de Charles Dickens-basisschool, volgestouwd met mismaakte poppen, maquettes, stukken hout en steen, eigenhandig gebouwde instrumenten, kunstboeken, decorstukken, cd's, foto's van Robert Walser en Franz Kafka, Poolse filmaffiches, doosjes, kasten en onafzienbare hoeveelheden prullaria. Vroegtijdig aangebrachte dennentakken en een mariabeeld versterken de associatie met een gezellige kerststal. In een hoek staat onder een doek een bijna antieke Mitchell 35mm-camera en daarnaast een computer, waarvan het toetsenbord overgeplakt is met fraaie gotische cijfers, variërend van 1/16 tot 32: het is het bedieningspaneel, met instelbaar aantal beelden per seconde, van een animatiefilmer.

“Wij zijn trots op onze low-tech”, zegt Timothy (of Stephen, want de identieke tweelingen zijn nauwelijks uit elkaar te houden, en heel vaak maken ze elkaars zinnen af).

Elke ochtend, ook op zaterdag en zondag, beginnen de Brothers Quay om half zeven te werken: “Er is altijd wat te doen, en we hebben behalve elkaar toch kip noch kraai.” Om half negen mag ik een uurtje langskomen, ter gelegenheid van de Nederlandse première in het kader van het Holland Animation Filmfestival van hun eerste lange film Institute Benjamenta. Om negen uur komt een assistent binnen, die in een verre hoek van het atelier onduidelijke technische werkzaamheden verricht. Later op de ochtend wordt een boze opdrachtgever verwacht, een fabrikant van keelpastilles, die een door de Brothers Quay verzorgde reclamespot heeft zien verbieden door de censuur, omdat er wat al te plastisch inzicht werd gegeven in de binnenkant van het menselijk lichaam.

Wie zich bij poppenfilms uitsluitend lievige sprookjes en houterige namaakmensen voorstelt, heeft nog nooit een film van de Brothers Quay gezien. In hun wrede universum is alles mogelijk en kan werkelijk elk 'waardeloos' object tot leven gewekt worden.

Een goed voorbeeld van de werkwijze van de Brothers Quay levert de korte film The Cabinet of Jan Svankmajer, die ze in 1984 opdroegen aan hun Tsjechische leermeester in de animatiefilm, 'de Praagse filmalchemist' Svankmajer. Het filmpje van 14 minuten, zonder gesproken tekst of commentaar, begint met een 'portret à la Arcimboldo' van de Tsjechische animator: een foto wordt niet met behulp van groenten en fruit getransformeerd tot een Svankmajerpop, maar met andere, meer relevante objecten. Zijn ledematen zijn passers en pennen, zijn hoofd een blauw Praags tegeltje en zijn haardos een opengeslagen, omgekeerd boek, met wapperende pagina's als kuif. Marcherende spelden geven op een landkaart aan waar Svankmajer gewoond en gewerkt heeft. In wat de Quays de 'Wunderkammer' noemen, zijn tientallen laden gevuld met boeken en attributen voor animatie, die bij toverslag open en dicht vliegen; een leerling ('het kind') is een naakte kinderpop, waarvan de schedel gelicht is en de pluizige vulling door deze opening weggezogen wordt. Met een van boven recht afgesneden, open hoofd loopt het kind door de Wunderkammer en vult zich, door toedoen van zijn meester, opnieuw, nu met kennis en parafernalia.

Knuffelhaas

Heel vaak begint een film van de Brothers Quay met een menselijke gestalte, die de wereld van de objecten als 'Grand Horloger' in werking stelt. In Street of Crocodiles (1986) is het de oude conciërge van een vervallen museum, die met zichtbaar genoegen een klodder speeksel mikt in een Kinetoscope, een ouderwets filmapparaat. Direct verandert het beeld van zwart-wit naar kleur en begint het mechaniek te werken, als een organisme van vlees en bloed. In het binnenste van het apparaat blijkt zich een oudere wijze man - een pop - te bevinden, omringd door een kind met hetzelfde afgesneden hoofd als in The Cabinet of Jan Svankmajer. Het kind dupliceert zichzelf tot meerdere identieke robots en modelleert tenslotte de oude man naar zijn beeltenis.

Vaak keren in de films erotische of andere door lichamelijke functies geïnspireerde beelden terug, zij het zelden expliciet. Maar in de cyclus korte filmpjes die Stille Nacht heet, is de seksualiteit onverwacht sterk aanwezig. Een drammerige knuffelhaas draait steeds agressief rondjes om twee in gestreepte sokken gestoken, ongeduldig zich uitrekkende meisjesbenen. Voor de liefhebbers van Alice in Wonderland (want om wie kan het anders gaan) moet het een schok zijn dat het gedoe van de maartse haas resulteert in een inktzwarte druppel bloed die midden tussen de voeten neervalt.

De belangrijkste inspiratiebronnen van de gebroeders Quay zijn het surrealisme, het Poolse absurde theater en uiteenlopende literaire werken uit vooral Midden-Europa. Ze verfilmden onder meer werk van Bruno Schulz (Street of Crocodiles), een deel van het Gilgamesj-epos (This Unnameable Little Broom), Kafka (Ein Brudermord), maakten portretten van de componisten Strawinsky en Janacek, en van de Belgische auteur Michel de Ghelderode. Hun lange speelfilm Institute Benjamenta, waarin de animatietechniek nog slechts een aanvulling vormt op het toveren met licht en decors, is gebaseerd op de roman Jakob von Gunten (1909) van de Zwitserse schrijver Robert Walser. De acteurs, onder wie Mark Rylance, Daniel Smith (hoofdrolspeler in Die zweite Heimat en schoonzoon van Edgar Reitz) en Alice Krige, bewegen zich als zorgvuldig gechoreografeerde dansers door een bizar opleidingsinstituut voor dienstknechten, waar elke dag dezelfde les gegeven wordt. Overal in het instituut zijn referenties aan herten te vinden. De acteurs, die naast Engels ook Duits, Nederlands en Afrikaans spreken, gedragen zich als sierlijke marionetten: “Wij behandelen acteurs met evenveel zorg en liefde als onze poppen, maar ik begrijp dat zo'n uitspraak tot misverstanden aanleiding kan geven”, zegt Timothy Quay.

Kafkaesque

Met enige verbijstering nemen de Quay Brothers kennis van de gulzigheid waarmee de meeste Europeanen de Amerikaanse cultuur consumeren en bewonderen. Zelf opgegroeid in een arbeidersmilieu in Pennsylvania, wisten ze niets van het bestaan van de dubbele bodems in grote delen van de Europese literatuur, muziek en andere kunstvormen. Hun eerste kennismaking bestond uit het woord 'kafkaesque', dat ze toevallig tegenkwamen tijdens hun opleiding tot grafisch vormgever. Die lettercombinatie en klank spraken tot hun verbeelding, maar niemand kon uitleggen wat het betekende en ze werden verwezen naar een woordenboek. Daarna gingen ze Kafka's dagboeken lezen en ontdekten dat de werken van Max Brod en de componist Leos Janacek, die ze wat later tegenkwamen en bewonderden, in verband stonden met dezelfde periode en plaats: Praag aan het begin van deze eeuw.

Toen ze veel later voor het eerst de Tsjechische hoofdstad bezochten, viel het daar een beetje tegen: “Met uitzondering van Polen, België en Portugal, de openluchtmusea van de twintigste eeuw, is er in Europa weinig meer terug te vinden van het verleden.”

Duits lezen de Brothers Quay nog steeds niet. Ze zijn bang dat het magische effect door te veel begrip verloren zou gaan. De boeken, die ze tijdens het gesprek te voorschijn halen, waaronder een Russisch leerboek over de animatiefilm uit 1935, worden vooral bestudeerd op hun uiterlijke kenmerken: de letters en de plaatjes.

Aan de films van de Brothers Quay valt duidelijk af te zien dat ze gefascineerd zijn door anatomie en gevoel, en veel minder door verhaalstructuren of ratio. De verwantschap met het werk van de cineast Peter Greenaway, ook meer een encyclopedist en een beeldend kunstenaar dan een verhalenverteller, en een gewantrouwd buitenbeentje in de Britse filmcultuur, valt moeilijk te loochenen. De gebroeders Quay: “We hebben Peter niet zo vaak gesproken, maar we zijn inderdaad verwante geesten, evenals wijlen Derek Jarman en het in de jaren veertig en vijftig eveneens door Midden-Europa beïnvloed regisseursduo Michael Powell en Emeric Pressburger.” Ondanks die gebrekkige communicatie speelden Timothy en Stephen Quay rollen in Greenaway's film The Falls en schreef hij de door rotting en verval geobsedeerde zoölogentweeling in A Zed and Two Noughts op hun lijf: “Peter Greenaway wilde dat we die tweeling zouden spelen, maar we zijn helaas niet zulke goede acteurs, dus hebben we dat maar niet gedaan.”

Filmmakers zijn manipulatoren van tijd, zoals bijvoorbeeld Jean-Luc Godard aangaf in zijn bekende uitspraak dat de cinema de dood aan het werk toont, 24 maal per seconde. Animatiefilmers maken die overwinning op de vergankelijkheid misschien wel het meest dramatisch duidelijk, omdat ze letterlijk dood materiaal leven inblazen. Het maakt dan eigenlijk niet uit of het geanimeerde object een stuk hout, een muizenkadaver, een lichtbundel of een levende acteur is. Met de dood op de hielen construeren twee bescheiden en verlegen low-tech-goden van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, dus ook op het moment dat u dit leest, uit hun rariteitenkabinet van stoffige relicten een levende werkelijkheid. Er is altijd wat te doen, en voor je het weet zijn de maden je te snel af.

    • Hans Beerekamp