Ik wil een pilsje, meneer

“Meneer, een paar kwartjes alstublieft. Ik wil een pilsje. Hier in de avondwinkel kan je een pilsje kopen. Meneer, wat is dat nou. Een paar kwartjes maar, ik heb een hartstikke droge bek.

Waarom zegt u niets, meneer, waarom loopt u door. Dat kost de kop toch niet, een paar kwartjes voor een medemens. Ik moet pils. Ik moet mijn moeder dood maken. Mijn moeder is inslecht. Mijn moeder is veel ouder dan ik. Ze barst van de poen, maar ik krijg geen sou omdat ik verslaafd ben, zegt ze. Ze is zelf vreselijk verslaafd. Aan sigaretten. Daar zitten een hoop gifstoffen in, in sigaretten, weet u wel. Die krijg je allemaal in je longen. Ik lul maar wat. Dan blijft u tenminste staan. Ik rook zelf ook grof. Heeft u een sigaret voor me. Godverdomme man, doe niet zo lullig, moet je kijken, die kleren die je aan je lijf hebt, dat heeft toch veel meer gekost dan een pilsje. Ze gaat dood. Ik maak haar dood, dat teringwijf. Altijd maar zeiken. Je heb voor geoloog gestudeerd, daar hebben je vader en ik ons alles voor ontzegd. Alles, zegt ze, met zo'n mondje, weet u wel. Je doet er niks mee. Je kan toch nog altijd in de computers gaan. Nooit eens lief, mijn moeder. Ik heb in Amerika gewoond, heel lang, daar heb ik een billiondollarschilderij gemaakt. Dat hebben ze gejat, die teringlijer heeft het aan een Arabier verkocht. Er loopt nog een proces. Meneer, blijf nou even staan... Meneer!

Daar is hij weer, die mooie meneer. Zes flesjes pils in een draagkarton. Kunt u wel van mijn centen?''

    • Jan van Gelderen