Hooggeëerd publiek; Kunst en de nieuwe rol van de toeschouwer

Kunst is niet meer alleen in musea en galeries te zien, ze duikt ook op in discotheken, op straat en op het Internet. Om het kunstwerk daar aanwezig te laten zijn, moet het publiek meewerken, moet het zich een digitale mentaliteit aanmeten. “De nieuwste kunst lijkt heel bewust niet voor de eeuwigheid gemaakt, zelfs niet voor het nageslacht.”

De trein reed het station binnen en ik stond op het balkon. Aan de wand hing een klein affiche met een detail uit een schilderij van Jan Steen, schilder en verteller. Reclame voor de tentoonstelling, kaartjes te bestellen via een financiële instelling. Ik werd erdoor herinnerd aan mijn bezoek aan de spraakmakende Vermeertentoonstelling in Den Haag afgelopen zomer. De artikelen in de kranten en tijdschriften, de reportages op de televisie, de vraaggesprekken op de radio, de Vermeerbroodjes bij de bakker, de moeite de kaartjes te bemachtigen, de geur van patriottisme die om de expositie hing, de drukte in het speciaal opgeslagen tentenkamp voor het museum, de tijdslimiet aan het bekijken van de meesterwerken en de rijkdom aan catalogi, kalenders, theekopjes, agenda's, shawls en sieraden die in de Vermeerwinkel te koop was. Zelden had ik bij het bezoek aan een kunsttentoonstelling zo bewust deel uitgemaakt van het Publiek als toen. Vanaf het moment waarop de kaartjes mij per post bereikten, volgde ik de reclamecampagne, de publiciteit en de verslagen die ik van kennissen hoorden met extra aandacht. Er was al iets aan de gang waar ik deel van uitmaakte.

De puristen onder mijn kennissen waren natuurlijk onuitsprekelijk onder de indruk geraakt van de schilderijen zelf, al was het nog niet eenvoudig geweest de juiste aandacht op te brengen. Hard was daarom hun kritiek op de tentoonstelling als commercieel evenement. Een schandalige kermis! Misschien onvermijdelijk wegens de exorbitante kosten aan organisatie, verscheping en verzekering, maar niettemin vloekte het verschrikkelijk met de ingetogen en oneindig zuivere kunst van het geheimzinnige genie Vermeer. Hoe kon men nu kijken naar deze schilderijen zoals ze dat eigenlijk vroegen, in deze pretpark-opzet? Ik heb van de zomer geprobeerd zo intens en snel mogelijk naar de schilderijen te kijken en nog steeds pak ik af en toe voor mijn geestesoog wel eens een Vermeer uit, die opgevouwen achter in mijn geheugen lag te wachten. Als ik dat doe herinner ik me weer hoe weinig de schilderijen leken op hun reproducties; maar er overkomt me ook iets vreemds: dat ik, al heb ik ze met eigen ogen gezien, gedurende een flits moeite heb te geloven dat de Vermeers echt bestaan, dat wil zeggen als fysieke voorwerpen. Het duurt maar even, deze zondige, ketterse gedachte, maar in het bellenspoor dat ze achterlaat lees ik een vraag. Kwam dat door het evenement dat de tentoonstelling was?

Mijn puristische kennissen zouden mij nu kunnen beklagen, omdat mijn kunstliefde zo zwak is, dat zij kon worden overstemd door de commerciële kermis en het media-spektakel. Ik beklaag mezelf niet. Ik word er nieuwsgierig van. Mijn slip of the mind, zo vermoed ik, is er een teken van dat mijn ervaring deel te hebben aan het media-evenement en de machinerie rondom de tentoonstelling, meer indruk heeft gemaakt dan ik dacht. Al ver van te voren was ik aangeroepen als lid van het Publiek en ben ik het uiteindelijk ook geworden, die dag in Den Haag, toen ik langs de kunstwerken schuifelde. Honderdduizenden mensen en 36 schilderijen.

Al is het een extreem voorbeeld, toch is de Vermeertentoonstelling de hyperbool van wat we gewend zijn als de normale relatie tussen publiek en kunst te zien. Er zijn kunstwerken in musea, galeries of kunsthallen en het Publiek, op de hoogte gebracht door de media en door affiches, bezoekt de kunstwerken en keert na aankoop van ansichtkaart en/of catalogus huiswaarts. Hoe meer kennis en ervaring omtrent kunst en haar geschiedenis, des te rijker de mentale interactie tussen toeschouwer en het unieke werk van de schepper, de kunstenaar. Dat is de opzet waarin wij het Publiek worden waar kunstenaars en tentoonstellingsmakers op wachten.

Aan de Vermeertentoonstelling terugdenkend bekroop me het vermoeden dat er steeds meer kunst ontstond die op een heel andere manier publiek van mensen maakt. Laat ik een voorbeeld noemen, een hypothetisch voorbeeld, zodat het overduidelijk niet gaat om de kwaliteit van het kunstwerk, maar om de manier waarop men er toeschouwer van wordt. Een voorbeeld dat ik niet zelf bedacht heb. Het betreft een project dat volgend jaar onder de titel Streethustle zal worden georganiseerd door het kunstenaarsintiatief W139 in Amsterdam. De ruimte in de Warmoesstraat zal zijn ingericht als werkplaats waar de groep die het project doet zich voorbereidt en het materiaal verzamelt. Publiek kan er binnen lopen, pottenkijken, de sfeer opsnuiven en een praatje maken. Ik stel me voor: foto's, schetsen, lijstjes aan de muur, telefoons, computers. Op straat, ergens in de stad, vinden de door de groep voorbereide acties plaats, worden beelden aangebracht en situaties uitgelokt. Ook daarvan kan men opzettelijk of bij toeval publiek zijn. Tenslotte vinden er op de Amsterdamse kabel uitzendingen plaats van opnamen die op straat en in de werkplaats gemaakt zijn.

Stel dat het de makers lukt om interessante en intrigerende dingen te laten gebeuren en zichtbaar te maken, daar op straat. Waar is nu het kunstwerk? Juist, dat is geen ding meer dat geëxposeerd kan worden, maar een samenstel van elkaar aanvullende en waarschijnlijk ook corrigerende gebeurtenissen: de werkplaats in de Warmoesstraat, de situaties op straat, en de publiek gemaakte videobeelden op de kabel. Laten we voor de gelegenheid aannemen dat het project als geheel, in zijn drie gedaantes, zorgvuldig en met liefde gemaakt en intelligent geredigeerd, me boeit, verbaast, aan het denken zet, ja, raakt en tegelijkertijd aan het huiveren en lachen maakt, zoals alleen kunst dat kan.

Het is niet zo provocerend bedoeld als het klinkt, maar de manier waarop ik toeschouwer ben en betrokken raak bij een dergelijk kunstwerk heeft meer gemeen met het Vermeerevenement, dan met de schilderijen van Vermeer. Natuurlijk wil ik niet beweren dat de massale Vermeerhype in de media, de winkels en het tentenkamp in Den Haag een kunstwerk was. Maar toen ik in de cafetaria zat en de op onze kaartjes vermelde tijd aanbrak (we mochten om twee uur naar binnen) voelde ik in dat moment, (dat er weken over had gedaan te ontstaan om in mij sfeer en spanning te verkrijgen), de potentie van een kunstwerk. Het had zo kunnen zijn dat een kunstenaar of een groep kunstenaars vorm had gegeven aan die vreemde gewaarwording. Het zou een kunstwerk zijn geweest van het soort dat Streethustle kan worden. Een werk dat mij als publiek deel laat zijn van een gebeurtenis, die ik vanuit verschillende invalshoeken, en op verschillende tijden en plaatsen ontmoet.

Musea en galeries tonen steeds vaker werk van kunstenaars die hun werk niet uitsluitend tonen in kunstruimtes. Inez van Lamsweerde's digitaal bewerkte foto's worden geëxposeerd in galeries, maar verschijnen ook in tijdschriften, als hybride van mode- en kunstfotografie; of aan bruggen en op billboards. Het werk van Gerald van der Kaap werd uitgebreid in het Stedelijk Museum getoond, maar veel van dat werk was al veel eerder te zien in de chill out rooms van discotheken, op de Amsterdamse televisie Rabotnik, op cd-roms of in boeken en bladen. De video's van Jane en Louise Wilson worden in musea en galeries getoond als kunst, maar duiken, voorzien van een andere soundtrack, op bij MTV als clip voor een band. Installatiekunstenaars tonen hun werk in eigenhandig geopende winkeltjes, in musea en op extravagante feesten. Er zijn vast nog betere voorbeelden. Wat ik ermee wil zeggen is dat er kunstenaars zijn, die bewust gebruik maken van de verschillende contexten waaruit de hedendaagse beeldcultuur bestaat. Je kunt zelfs zeggen dat het spelen met, manipuleren en maken van contexten voor hun beelden en performances hun eigenlijke werk is. Wie in het museum heen en weer slentert voor een foto van Gerald van der Kaap en verder niet, mist het leeuwendeel van waar hij mee bezig is en waar het in zijn werk om gaat.

De openbaarheid waar deze kunst zijn publiek vindt en er een relatie mee zoekt is niet die van de rustige zaal waar kunstwerken verschijnen in een eenheid van tijd, plaats en handeling. Het is een openbaarheid die weliswaar ook de lijfelijke aanwezigheid in een tentoonstellingsruimte omvat, maar waarvan bladen, televisie, cd-roms, film, danspaleizen, de straat en het internet gelijkwaardig deel uitmaken. Het publiek dat zulk werk veronderstelt is geen stroom bezoekers die met een catalogus onder de arm uit de wereld stapt en een cultuurtempel betreedt, maar eerder een groep gelijkgestemden die actief deelneemt aan dezelfde grote wereld waar ook het werk zijn avonturen beleeft, inclusief galeries en musea.

Ah, hoor ik lezers nu mompelen, maar de avant-garde kunst van dertig tot twintig jaar geleden deed niets anders! Het grote verschil is dat dat werk vanuit een kritiek op het museale en commerciële karakter van kunst ontstond, als een noodzakelijkerwijs conceptueel, ideologisch blijvend statement. Dat is niet meer nodig. De kunst van nu beweegt zich zonder spoor van kritiek of ideologie in en uit het museum.

Dat er kunstbladen bestaan, kunstprogramma's en musea op het internet is van een andere orde. Dat is publiciteit over kunstwerken in galeries en musea. Waar ik op doel is het werk van kunstenaars dat daadwerkelijk overvloeit in de wereld van mode, dansfeesten, technologisch onderzoek, grafisch ontwerp of muziekvideo's. Hoe treurig of schokkend het misschien ook is om te moeten vaststellen, maar de nieuwste kunst lijkt heel bewust niet voor de eeuwigheid gemaakt, zelfs niet voor het nageslacht. Het is werk dat nog het best begrepen wordt als poging om bijzondere gebeurtenissen vorm te geven, met behulp van beelden, maar ook met geluid of muziek, tekst, performances of ingrepen in de omgeving.

De duidelijkste voorbeelden van de veranderde rol die publiek krijgt toebedeeld in de kunst zijn te vinden in werken waarin men gebruikt maakt van digitale media. Dit jaar werd in Rotterdam het Dutch Electronic Art festival gehouden, georganiseerd door V2. Een van de projecten vond plaats op het dak van het Nederlands Architectuur Instituut. Het heette Anonymous Muttering en was het werk van de Duitse groep Knowbotic Research. Er stond een stalen constructie bestaande uit twee grote cirkels met stroboscopische lampen en grote geluidsboxen. Er was een directe geluidsverbinding met een discotheek in de stad, waar een deejay een geïnspireerde mix van dansmuziek ten gehore bracht. Maar dat was op het dak van het NAI niet te horen. Een computer deelde de muziek op in brokjes van 50 tot 200 milliseconden en klutste die brokjes vervolgens weer door elkaar. Een vreemd op en neer deinend maar gruizelig geluid was het gevolg. In de buurt van het gebouw werden aan mensen plastic matjes uitgedeeld waarin sensoren verborgen waren. Door de matjes te buigen, te vouwen, te wringen kon men de verhaspelde geluidsstroom beïnvloeden. Ook via het internet bestond die mogelijkheid; daar vervormde men een getekend matje met behulp van de muis en kreeg dan het geluid te horen.

Het resultaat van dit alles was een soort elektronisch vuurwerk, dat lichtflitsen en oorverdovend geluid de stad in slingerde. Het was opwindend, enigszins angstaanjagend maar vooral verontrustend, omdat dit alles bestond bij de gratie van een groepsactiviteit terwijl niemand van de deelnemers nu precies wist wat zijn aandeel te weeg bracht. Tussen de bijdrage van de machine en die van de mensen werd geen verschil gemaakt. Alles bij elkaar een grimmige gebeurtenis die kritische gedachten moest opwekken over wat nu precies interactiviteit is en hoe bedrieglijk de transparante interfaces zijn die de industrie ons voorhoudt. Je kon het horen en zien: waar de rauwe kracht van digitale machines en de reële wereld elkaar raken, openen zich afgronden.

Dit kunstwerk, zoals veel mediakunstwerken, is niet te begrijpen als voorwerp of optreden, maar hoe dan wel? Als een tijdelijke verbinding tussen stromen gegevens. De makers hebben aan die verbinding een vorm gegeven, door de geluidsbron, de bewerking van het geluid en de koppeling aan de schijnwerpers te kiezen en de rol van het publiek strak te regisseren. Binnen dat stramien laten ze de data stromen.

Ik had ook vriendelijker voorbeelden kunnen noemen, waarin publiek, in een pak dat aanrakingen kan nadoen, en ook kan trillen, door een virtual reality bril sprookjesachtige wezens kan ontmoeten, die verhalen vertellen, samengesteld uit bijdragen die mensen via het internet op verzoek voor het project schrijven. Maar de indruk moet niet ontstaan dat het hier gaat om kunst die een utopische communicatie-ideologie of futuristische heilsboodschap wil uitdragen. Mij gaat het om wat ik een digitale mentaliteit noem, die mij als publiek in een ingrijpend andere positie tegenover kunst en kunstenaars plaatst. Die digitale mentaliteit kan evengoed aanwezig zijn bij de makers van Streethustle, bij de inrichters van een desolate installatie van oude emmers en kippebotjes, bij fotografen of bij de ontwerpers van een site op het World Wide Web, een database die naar aanleiding van door ons gekozen woorden en regels automatisch mijmeringen en dagdromen voortbrengt (Daniela Plewe's Muser Service).

Hoeveel we ook met verf smeren, oerritmes trommelen, houtsnijden en elkaar hartstochtelijk beminnen (allemaal dingen die nooit zullen verdwijnen) onze cultuur wordt digitaal. Wat wil dat zeggen? Het betekent keihard: getalsmatig. Voor een digitaal medium maakt het niet uit, of het nu een mooi gedicht, een tekenfilm, de opname van een heerlijke sonate, een foto of de beveiligingscode van een kluis betreft, het is informatie, dat wil zeggen een reeks getallen. De onderscheiden tussen tekst, muziek, beeld en berekeningen zijn vloeibaar geworden, een kwestie van te herschrijven script. Een origineel is er niet meer: er kan gekopieerd worden zonder verlies, een kwestie van het herhalen van de cijferreeks.

Het digitaal worden van onze cultuur klinkt als een vreselijk verlies, als een wrede reductie tot een brij cijfers. Maar juist dankzij die brute digitalisering is het mogelijk om muziek, beeld, tekst en allerlei andere soorten informatie te verplaatsen in ruimte en tijd. Denk aan radio, televisie, telefoon, internet, cd's, de satellietbeelden uit de ruimte: niets is sneller, 'schoner' en veelzijdiger te zenden en te ontvangen dan digitale informatie.

Digitale media zijn ideale communicatie-machines. Niets makkelijker om werelden te verweven en mensenlevens op elkaar aan te sluiten dan langs digitale weg. En dat gebeurt om ons heen. Nu communiceren telefooncentrales even makkelijke en snel met elkaar als de minister-president via de televisie met het volk. Lichtsensoren communiceren met garagedeuren en lichtschakelaars. Studenten chatten per internet over de hele wereld met elkaar. Het digitaal worden van de cultuur wil zeggen communicatie via media, oftewel door mensen gevulde en bediende machines waardoorheen reusachtige stromen gegevens stromen.

Communicatie: het uitwisselen en daarmee delen van dezelfde boodschap. Het veronderstelt een storingsvrije verbinding en een transparante taal. In de digitale machines gaat communicatie aardig, steeds beter zelfs. In de wereld van de mensen is communicatie een oneindig complex en ongrijpbaar verschijnsel; een mijnenveld, een onvoorspelbare burgeroorlog waarin zelfs de simpelste feitelijke mededeling, het onschuldigste gebaar niet veilig is. Het is de oorzaak van alle ellende, maar ook van alle goede en mooie verworvenheden van de mensen dat hun communicatie nooit helemaal klopt. Waar die twee werelden elkaar raken is een strijdperk: mensen buigen er, passen hun uitingen aan, voegen zich naar de vormen en conventies van de digitale media. Of ze zien de potentie van een kunstwerk: het bewust vormgeven van die communicatieve gebeurtenissen, de momenten waar beelden, geluiden, woorden, symbolen uit verschillende contexten elkaar kruisen, met elkaar vechten.

Profiterend van de mogelijkheid alle informatie te manipuleren, in elkaar te vertalen, maken kunstenaars van nu werk dat gaat over het problematische, wonderlijke, gruwelijke, grappige van die strijd tussen hoe mensen leven en hun digitale communicatie. Zulke kunst kan zich even gemakkelijk van voorwerpen bedienen als van digitale fotografie of het internet. Het is werk dat geen lege zaal behoeft om te vullen en omringd te worden met aandacht. Het is een communicatieve gebeurtenis, die overal in de wereld kan plaatsvinden en een ruimte om zich heen oproept.

Ik heb het sterke vermoeden dat er een verband is tussen het digitaal worden van de cultuur en de manier waarop nieuwe kunst zijn publiek zoekt en anders benadert: in allerlei werelden en gelegenheden, in allerlei media, tijdelijk en plaatselijk.

Kunstenaars die affiniteit hebben met de digitale mentaliteit zien zichzelf vaak eerder als redacteur en regisseur dan als schepper. Veel letterlijker dan pre-digitale kunstenaars zijn ze daarom afhankelijk van het publiek. Met alle mogelijke middelen en dus media proberen ze het publiek op te nemen in het netwerk aan beelden, ervaringen, informatie, muziek, waaruit hun werk afkomstig is. Meer dan een beschouwer wordt het publiek dan deelgenoot, en wanneer er interactieve media gebruikt worden, zelfs hun hulpje bij het tevoorschijn brengen van het werk.

Dit jaar vond in het museum te Bordeaux de tentoonstelling Traffic plaats die nog een stap verder ging. Ook al stonden er nog maandenlang werken in het museum, toch bestond de eigenlijke tentoonstelling uit de drie dagen durende manifestatie waarmee hij opende. Er waren lezingen, wedstrijden, optredens, feesten. Kunstenaars en hun vrienden, publiek en kunst-professionals vormden drie dagen en drie nachten een tijdelijk stamverband. Relational esthetics, noemde de curator het driedaagse super kunstwerk en refereerde aan de collectieve sociale sculptuur van het internet. Dat is het voorland van de beeldende kunst: de kunstenaar die in levende lijve, via tijdschriften, danszalen of het internet zijn eigen, tijdelijke gemeenschap zoekt, zijn volkje sticht om daarvoor zijn gemediatiseerde volkskunst te maken.

    • Dirk van Weelden