Het schiet niet op met de mensheid

Ethel Portnoy: Bange mensen. Een Haagse vertelling. Meulenhoff, 174 blz. ƒ 32,90

Op het omslag van Bange mensen, de nieuwe roman van Ethel Portnoy, staat een idyllisch plaatje. Een moeder, met glanzende oogopslag, omarmt haar engelachtige kind, dat op haar beurt de armen om haar nek heeft geslagen. Wang tegen wang kijken ze, allebei in witte jurken gestoken, ons vriendelijk maar ook wat terughoudend aan. Ze hebben genoeg aan elkaar. In de rechterbovenhoek staat een woord dat nog net zo'n beetje te lezen is: 'Mutterglück'. De foto is flink gehavend en duidelijk van voor de oorlog.

Zoveel onbekommerd geluk is voor de hedendaagse moeder niet meer weggelegd, lijkt Ethel Portnoy te willen zeggen. De liefde is er nog wel, maar de omstandigheden zijn minder idyllisch. Barbara, de moeder die in Bange mensen wordt geportretteerd, is voortdurend op haar hoede. Zij is bang haar zoontje te verliezen. Haar agressieve echtgenoot zou hem bijvoorbeeld kunnen opeisen, wanneer hij zijn op de vlucht geslagen vrouw heeft opgespoord. Ook zou hij een ongeluk kunnen krijgen. Maar ook als hij bij haar blijft en niet verongelukt, zal hij toch steeds meer zijn eigen leven gaan leiden. Elke keer als ze hem naar school brengt, ziet ze hem wegrennen. En elke keer komt hij ook weer terug, alsof hij aan een elastiekje zit.

Bij haar angsten voegt zich een nieuwe beklemming als ze, gevlucht uit Amerika, haar intrek heeft genomen in een oud huis in de Indische buurt van Den Haag. Zij voelt nog de aanwezigheid van de mistroostige vrouw die er na de oorlog heeft gewoond en die, zo vermoedt zij, haar kind verloren moet hebben. Hij zou opgepakt kunnen zijn door de nazi's, omdat hij net als haar eigen zoontje half-joods was. Ook het jongetje zelf is aanwezig in het huis, als een af en toe langsflitsende schim, die niet alleen door haarzelf maar ook door haar zoon wordt opgemerkt.

Ethel Portnoy heeft een bijzonder specialisme: het bezielde huis. Of het nu een Parijs appartement is, zoals in De eerste zoen (1991), of een kasteel in de Dordogne, zoals in Altijd zomer (1993), of een Haags grachtenpand, zoals in dit geval, - het spookt er. De tragische geschiedenis van de vorige bewoners resoneert erin mee. Portnoy heeft oog voor traditie, voor mensen, voorwerpen en verschijnselen met een verleden en uiteraard voor het verleden zelf. Dat is in dit geval de oorlog, die haar romanfiguren vijftig jaar na de bevrijding om uiteenlopende redenen bezig houdt. De Amerikaanse Barbara komt door een samenloop van omstandigheden in contact met de bijna bejaarde Justus, die ooit een biografie over Spinoza hoopt te schrijven, en met de jonge historicus Chris, die een cd-rom aan het samenstellen is over Den Haag tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Het mooie van de roman is de menselijke maat ervan. De drie hoofdpersonen, zoals altijd bij Portnoy onderzoekende types, zijn niet zozeer uit op onomstotelijke waarheden, maar op levensberichten uit het verleden. De oorlog komt hier op een frisse, bij vlagen zelfs luchthartige wijze aan de orde en krijgt niet alleen Haagse, maar ook enigszins metafysische contouren. Barbara zoekt op rommelmarkten, in oude naaidozen en in schoudervullingen van tweedehands jurken naar tekens, naar een soort boodschap van de vrouw die ooit in haar huis heeft gewoond. Justus praat niet graag over de oorlog, uit angst dat de anderen erachter zullen komen dat zijn vader samenwerkte met de Duitsers. Hij meent ook al genoeg gestraft te zijn. Hij lijdt aan de ziekte van Parkinson, die hem het regelrechte gevolg lijkt van de zonden die na het overlijden van de vader op de zoon zijn overgegaan. Chris, ten slotte, verdiept zich bij zijn onderzoek liever in individuele lotgevallen dan in de grote lijn. Hij betreurt allen die tijdens de oorlog zijn omgekomen en roept op tot een soort morele herbezinning, maar is ook innig begaan met zoekgeraakte huisdieren en met de vele gewone, ontredderde Haagse burgers die zich ook maar moesten zien te redden.

Heimwee naar vroegere tijden en een onbedaarlijke liefde voor huizen verbindt de geesteskinderen van Portnoy. Grote ontstemdheid is er over het uiterlijk van Den Haag, waar de modernisering heeft toegeslagen en waar veel te veel kantoren zijn verrezen. Als absoluut dieptepunt wordt het Provinciehuis opgevoerd, verontwaardigd aangeduid als een 'wangedrocht', 'een afzichtelijke steenklomp'.

Op haar lichtvoetige en geanimeerde toon maakt Ethel Portnoy duidelijk dat er het een en ander schort aan onze samenleving. Het informatie-tijdperk is aangebroken, maar we geven elkaar op een of andere manier niet de juiste informatie. Een zieke wereld is het, bevolkt door bange mensen, die op de vlucht zijn voor elkaar en voor zichzelf en geen lering lijken te kunnen trekken uit het verleden. De strekking van Bange mensen is minder opgewekt dan die van Portnoys vroegere werk. Er zit weinig schot in de mensheid, zo moet de sombere slotsom luiden.

Maar Portnoy zou Portnoy niet zijn als ze het hierbij zou laten. Op de valreep gunt zij twee van haar drie personages uitzicht op iets moois. Zij ontmoeten elkaar in de tuin van het spookhuis en kijken elkaar diep in de ogen. Zo is er toch nog hoop. Het moderne leven valt niet mee, maar de idylle is van alle tijden.

    • Janet Luis