Het leven van de buren

Niet zolang geleden zag ik op tv Hitchcocks Rear Window terug, een film uit 1954, zwart-wit, dacht ik, maar hij was uitgevoerd in een ingekleurd soort technicolor, wat misschien een pleonasme is.

Het is een buitengewoon eigenaardige film. Een Hitchcock immers staat garant voor misdaad, plot, ondraaglijke spanning, onverwachte effecten, maar Rear Window doet er ongeveer dertig minuten over om te beginnen, waarna er nog zo'n vijfenvijftig overblijven voor écht begin, ontwikkeling, hoogtepunt, slot. Wat is hier aan de hand?

James Stewart zit met een gipsbeen gekluisterd aan zijn stoel voor het achterraam dat open staat wegens de hitte. Hij heeft uitzicht op het binnenste van een huizenblok, dat alleen via een smalle steeg zicht geeft op een drukke straat. Om dit uitzicht draait het, ook in de eigenlijke film, maar vooral in het steeds maar niet beginnende begin. In het midden van zijn uitzicht bevinden zich de ramen van een handelsreiziger en zijn bedlegerige vrouw. Zelfs in dit begin wordt wel duidelijk dat het om deze ramen zal gaan, maar telkens dwaalt de camerablik weer af naar de andere en naar Stewarts kamer. Ik bedoel: de ramen waarover het uiteindelijk zal gaan - de ramen waarachter een moord zal hebben plaatsgehad, zoals later zal blijken - die ramen worden steeds weer onderdeel gemaakt van de hele gevelwand die door de camera wordt afgetast, en dus door Stewarts slapeloze oog.

Zeker, Stewart ziet de handelsreiziger middenin de nacht tot driemaal toe een koffer de straat op sjouwen, en nog wel meer, maar zijn ideeën over een gepleegde moord worden door zowel zijn verzorgster als zijn fiancée Grace Kelly tot muizenissen geproportioneerd. En of hij daar nu eens mee op wil houden, met dat bespioneren van de buren!

Totdat Kelly ineens ook ziet hoe de vermeende moordenaar met een hutkoffer bezig is, en zij de straat opgaat, naam en adres doorbelt aan de immobiele Stewart - maar dan is de film ook echt begonnen.

Een suspense-autoriteit die zijn misdaadfilm een half uur lang niet laat beginnen: wat is hier aan de hand?

Ik denk het te weten.

Ik heb zelf een rear window.

Ik ben verslaafd aan de aanblik van de achterzijde, net als James Stewart, herstel: net als Alfred Hitchcock. Nog niet zo lang geleden ben ik erachter gekomen dat ik al vele jaren zo voor mijn raam zit, in diverse woningen, altijd op drie-hoog. Alleen zit ik zelden te suffen, zoals James Stewart (echt gluren doet hij niet) maar te werken. Voor een dichter houdt werken in dat hij een uur uit het raam staart om als vrucht daarvan een woord door te strepen. En ja, in dat uur ziet hij wel eens een buur (m/v) het balkon opkomen om naar de lucht te kijken, een plant te begieten, de kat te strelen. Binnen blijkt die buur wel eens een kind te zogen, een stoel te verplaatsen, een lamp aan te doen, aardappels te schillen, gasten te ontvangen, de tv uit te zetten, de krant te lezen, de tv aan te zetten. Ik kan niet ontkennen dat ik dat allemaal zie, al vraag ik me af of het werkelijk tot me doordringt. Al moet ik erkennen dat ik sommige buren op straat herken. Maar zij mij ook! Ze kijken gewoon terug!

U merkt wel dat ik mij niet schaam voor mijn gedrag. Dat komt doordat ik het niet als gluren beschouw. Om ergonomische redenen heb ik een keer overwogen mijn werktafel te verplaatsen, weg van het raam, en merkte toen dat ik dat niet wou. Het voelde bij voorbaat als missen. Ik ben toen gaan nadenken en kwam tot de conclusie dat ik die mensen ginder op hun balkons en achter hun ramen ervaar als reisgenoten. Ik ervaar het leven namelijk als een tocht, zonder begin en zonder einde. Mijn leven heeft natuurlijk wel een einde, maar de karavaan trekt verder. Voor de duur van mijn leven trek ik mee door de woestijn, doorsta vreugden en ontberingen, maar gelukkig ben ik niet alleen. Misschien dat een hogere macht ons begeleidt, maar we zijn in ieder geval met z'n allen.

In onze verhalen is de tocht, de reis, de queeste, de grootste metafoor. Heel onze joods-christelijke cultuur begint met een tocht, een exodus uit de benauwenis naar het land van melk en honing. In ons leven is het eerder andersom: we hebben het paradijs van de kindheid verlaten en moeten verder maar zien wat het ongewisse leven ons brengt. Ontelbaar zijn de verhalen met een queeste. Van De tocht der tienduizend tot Klein Duimpje, van De reis door mijn kamer, tot die Naar het einde van de nacht. Maar ook Jozef K's 'route' door de bureaucratie naar de dood in Het proces, of Katadreuffes overgedisciplineerde gang naar de advocatuur, in Karakter, is een tocht. Of het totale spiegelbeeld, de negatie ervan: Frits van Egters' claustrofobische stilstand in het leven, verbeeld in De avonden.

En dan nog al die films.

En dan nog al die minder complexe films en verhalen voor de minder complexe reisgenoten.

De tocht, de reis door vijandig gebied naar een ongewisse bestemming - het is de oermetafoor van het leven en die troost ons want we zijn blijkbaar niet de enigen en route. Maar we weten ook dat we er in wezen - in het eeuwige aangezicht van de dood bijvoorbeeld - alleen voor staan. Daarom is de held in onze verhalen meestal een loner, want dat articuleert de kern van de zaak. Hij (steeds meer ook een zij) doet ons huiveren omdat we weten dat wat hij durft, of in ieder geval doet, dat is wat wij zouden moeten kunnen, erger nog: we zullen wel moeten.

Aan de andere kant is het leven van de held niet zelden groots en meeslepend en omdat wij ons met hem identificeren - we hebben ons lichaam achtergelaten om hem te zijn - krijgt ons eigen leven meer glans, misschien wel iets van een betekenis, en dat is meer dan troostvol.

Iets van die tocht en van het idee dat we niet de enigen zijn, herkent mijn zieltje in de aanwezigheid van de overburen. Alsof wij passagiers zijn op een groot schip dat onmerkbaar voortschuift door het leven, op weg naar het einde. De aanwezigheid van mijn medepassagiers troost me, blijkbaar.

Bij het werken aan Rear Window moet Hitchcock dit herkend hebben. Hij kon zijn camera-oog niet losmaken van al die levens aan de overkant en stelde het begin van zijn film steeds maar uit. Nu is het leven geen film, er is geen plot, in zekere zin is het, net als Rear Window, aldoor bezig te beginnen, maar ook in dat leven gebeurt natuurlijk wel eens iets. Dus beste buur, als u mij binnenkort op een nacht met koffers in de weer ziet, denk dan niet, zoals Grace Kelly: die man gaat op reis. Want ik ben al op reis, samen met u.

    • Robert Anker