Het allerlaatste taboe

Terwijl u gisteravond, met een borrelnootje onder handbereik, naar Daders zat te kijken, een documentaire over openhartige incestplegers, vroeg ik me af of hiermee nu - publicitair gezien - het laatste taboe geslecht is. Het scheelt niet veel, vermoed ik, althans, op seksueel gebied. Maar er blijft altijd wat te wensen over, en opeens zag ik het helemaal voor me.

We horen de stemmen van drie mannen die, hoe openhartig ze ook zijn, toch liever buiten beeld blijven. Op tamelijk opgeruimde toon vertellen ze hun verhaal.

De camera dwaalt over een boerenerf, filmt de rug van een boerenknecht die samen met zijn vrouw aan de boerenkoffie zit. Een staldeur waait open. We zien de varkens zich buiten in hun drek wentelen, de camera zoomt in op zo'n kittig varkensstaartje.

En de stem vertelt: “Moeder de vrouw heeft het nooit geweten. Ik ben er al vroeg mee begonnen. Ik was eigenlijk nog een jongen. Waarom? Ach, je leefde zo geïsoleerd, je zag maar één keer in de week vrouwvolk. Op zaterdag, in de dancing van Wubbe. En daar moest je nog van afblijven ook.

“Dus als je dan 's nachts naar huis ging, zat je nog vol drift'n. Wat moest je ermee? Nee, ik heb nooit mijn zusje willen lastig vallen, da's viespeukerij. Maar zo'n lief biggetje, waarom niet? Die diertjes roepen iets in me op, dat kan ik verder niet verklaren. Het zal hun onschuld wel wezen. Nou ja, van het een komt het ander. Heb ik nou zo'n dier kwaad gedaan? Waarom eigenlijk?”

Intussen neemt de camera ons mee naar een manege, waar we, schuin van ons afgewend, een man van middelbare leeftijd een paard zien roskammen. Het paard trappelt ongeduldig, de man praat geduldig op hem in. “Ik heb altijd geprobeerd eerst het vertrouwen te winnen”, begint zijn stem te vertellen. “Dus niet meteen ruw penetreren, maar tevoren lang aaien en praten. Je voelt die paardenbillen langzaam week worden onder je handen, en dan is het moment gekomen.

“Zoiets gaat van vader op zoon, dat schijnt met incest toch ook te gebeuren? Mijn vader had een manege, ik zag hem daar vaak bezig. Mij liet hij altijd met rust, want het was best een goeie man. Toen hij me vroeg de zaak over te nemen, heb ik geen moment geaarzeld. Het is toch goed als zoiets in de familie blijft?”

We naderen het einde van de documentaire. Beelden van een typisch Nederlandse doorzonkamer. Fris behangetje, glanzende parketvloer, stevige stereotoren. Aan tafel zien we de silhouetten van een man en een vrouw. Een koffieapparaat pruttelt. Op de achtergrond horen we een zacht miauwen. Een sonore mannenstem zet in.

“Ze maken me op een of andere manier weerloos. Hoe moet ik het anders zeggen? Als jongen mocht ik geen huisdieren houden. Toen we trouwden, hebben we meteen een hond genomen. Maar honden, nee, dat is niks voor mij. Die bek, die tanden, stel je voor dat ze tijdens het voorspel opeens beginnen te happen! Nachtmerries had ik er soms van.

“Dus toen hebben we een poes genomen. Moeders vond het prima, die mag er ook graag mee spelen. Ik ben dol op de poes. We zijn een soort tweeëenheid geworden. Als moeders even weg is, kruip ik meteen bij de poes. Strelen, knuffelen, vooral over het buikje - heerlijk vindt ze dat. Ik heb nooit begrepen wat daar fout aan is. Als zo'n diertje zich bedreigd voelt, zoals iedereen zegt, zou het toch niet steeds naar je toe komen?

“Het is dat ik niet voor de camera wil, anders zou ik het jullie kunnen laten zien. Hoe ze meteen op haar rug gaat liggen als ik binnenkom. Hoe ze snort en trilt terwijl ik met haar bezig ben. Er is niets wat zo'n poes liever doet dan kroelen. Maar ik moet eraan toevoegen: ik ben niet specifiek op het poesje gericht. Als zo'n diertje aangeeft: stoppen, dan stop ik ook.

“Helaas heeft mijn buurman me een keertje bezig gezien. Midden op de dag. Hij keek toevallig binnen en hij riep: wat is dat voor gesodemieter? Nu zit ik in een therapiegroep. Daar heb ik gelukkig geleerd heel openlijk over die dingen te praten.”