Günter Grass en de roman over '1989'; Waar bananen zijn, begint het paradijs

Günter Grass heeft dé roman over de Duitse revolutie van 1989 willen schrijven: 'Een gebied zonder einde', een roman waarbij je bij het lezen veertien naslagwerken onder handbereik moet hebben. Daarmee heeft Grass een gevaarlijk risico genomen. Want iemand die over één onderwerp alles wil zeggen, zegt uiteindelijk niets. De nieuwe Günter Grass is de oude niet meer. Een pleidooi voor de oude Grass.

Günter Grass: Een gebied zonder einde. Uit het Duits vertaald door Jan Gielkens. Meulenhoff, 653 blz. ƒ 79,90 (geb.), ƒ 59,90 (paperback)

Günter Grass: Ein weites Feld. Steidl, 781 blz. ƒ 57,30

Waarom zou een schrijver een romanpersonage van een andere schrijver gebruiken?

De straten zijn tenslotte gevuld met romanpersonages. De mensen zijn, naast vele andere dingen, een verzameling romanpersonages. Of over iedere asbak iets zinnigs te zeggen is weet ik niet, maar over ieder mens is iets interessants te vertellen, al is het maar een halve bijzin.

Dus waarom je toevlucht nemen tot zoiets tweede- of misschien wel vierdehands als een romanpersonage dat al eens gebruikt is?

Is dat niet net zoiets als op eten kauwen waarop al eens gekauwd is?

Als een middelmatig schrijver zoiets doet, zal het wel zijn omdat hij origineel probeert te zijn. Origineler nog dan God. Omdat hij zich niet neer kan leggen bij het feit dat de levens van mensen op elkaar lijken en dus op een cliché lijken. Je kan op je hoofd gaan staan, je kan de spelling veranderen, je kan mevrouw Bovary weer tot leven wekken, dat helpt allemaal niets. En dat is ook niet erg, want over ieder mens valt wel iets te zeggen dat geen cliché is. Omdat de details telkens weer anders zijn. Iemand die op de hoek van de straat een banaan eet, dat is geen cliché. Maar iemand die gemarteld door liefdesverdriet van de brug springt, dat is weer wel een cliché. (Onthoud die bananen, want dit stuk gaat over bananen.)

Wanneer Günter Grass zijn romanpersonage van een ander leent moet er meer aan de hand zijn. Op de laatste bladzijde van zijn laatste roman Ein weites Feld staat in kleine lettertjes: 'Die Gestalt des Tallhover, die im vorliegenden Roman als Hoftaller fortlebt, entstammt dem 1986 bei Rohwolt/Reinbek erschienen Roman Tallhover von Hans Joachim Schädlich.'

Maar al op een van de eerste bladzijden van zijn roman schrijft Grass: 'Ludwig Hoftaller, dessen Vorleben unter dem Titel Tallhover auf den westlichen Buchmarkt kam...'

Bedoelt Grass dat we de roman van Schädlich eerst moeten lezen, willen we Ein weites Feld goed begrijpen, probeert hij zich bij voorbaat in te dekken tegen beschuldigingen van plagiaat, of wil hij alleen maar zo volledig mogelijk zijn? Maar volledigheid is een ramp voor een roman.

Ik houd van Günter Grass. Ik houd van Kat en Muis, ik houd van het kleine Oskartje, ik houd van zijn provocerende uitspraken, ik houd ervan dat Ein weites Feld de woordvoerder van Helmut Kohl een negatief commentaar heeft ontlokt. Als je roman de woordvoerder van Kohl tot woedende uitspraken dwingt, heb je het ver geschopt.

Ook in Ein weites Feld staan weer een hoop zinnen die mij eraan herinneren waarom ik van Grass houd.

Als de hoofdpersoon Theo Wuttke, bijgenaamd Fonty, gevraagd wordt waar hij zijn zeventigste verjaardag wil vieren, antwoordt hij: 'Mir schwebt etwas Schottisches vor. Nicht unbedingt mit Dudelsack, aber annähernd schottisch soll es schon sein...'

Duits is een ironische taal, het Duitse volk is naast vele andere dingen een ironisch volk, en maar weinigen beheersen de Duitse ironie zo goed als Grass. 'Aber annähernd schottisch soll es schon sein', dat is bijna een regel uit een gedicht van Kästner - en ik houd van Kästner. Tucholsky had die regel ook kunnen schrijven, Brecht misschien, Thomas Mann nooit. Die haatte dat soort zinnen. Je hebt niet veel fantasie nodig om in die regel een beginselverklaring te zien. Het leven gaat niet altijd zoals we dat willen, maar annähernd schottisch, dat moeten we er toch uit kunnen slepen. En dan te bedenken dat Wuttke zijn verjaardag in de McDonalds viert. Annähernd schottisch.

Grass is ook erg goed in polemiseren. Nog een voorbeeld waarom ik van hem houd. In Ein weites Feld schrijft hij over de Duitse toneelschrijver Heiner Müller: '... der bietet verwursten Shakespeare und Grausamkeiten als Dutzendware. Soll alle zynisch wirken, bleibt aber Pose und wabert kolossal...'

Verwursten Shakespeare, dat is net zo goed als annähernd schottisch. Niet alleen omdat het een adequate samenvatting is van Müllers werk, maar ook omdat het kort, krachtig en dodelijk is - en zo hoor je te polemiseren. En als je een roman schrijft, hoor je het leven te begrijpen en de woordjes 'annahernd schottisch' bewijzen dat Grass dat leven kent als zijn eigen broekzak. Ik vertaal die twee woordjes niet, want dan verandert Duitse ironie in Nederlandse ironie, en dat zijn twee heel verschillende dingen. Duitse ironie is grimmiger en woester. Nederlandse ironie is iets bescheidener, vriendelijker ook, soms op het bedaagde af. Nederlandse ironie is één koekje bij de thee, en in dat ene koekje zit alle ironie van de wereld. Duitse ironie is een stuk Schwarzwälder Kirschtorte. De ironie zit binnenin en je moet diep graven voor je hem vindt, maar het loont de moeite. Misschien kan ik het verschil het beste demonstreren met dit voorbeeld.

Nederlands: Als je het mij vraagt, kon je het wel vergeten in het Derde Rijk als je rood haar had.

Duits: wer rote Haare hatte, konnte im Dritten Reich doch gleich einpacken.

Hoewel ik het zelf geschreven heb, vind ik de vertaling van Rainer Kersten sterker dan het origineel.

Ein weites Feld speelt in de tijd van de val van de Berlijnse Muur. Grass vond dat er twee Duitslanden moesten blijven. Dit maakte hem niet erg geliefd in Duitsland, want de meerderheid van zijn landgenoten vond dat er één Duitsland moest komen. Hij schrijft het zo: 'Denn dass parolen wie wir sind das Volk wetterwindisch sind, war mir sicher. Man musste nur ein einziges Wörtchen austauschen, und schon war die Demokratie weg und die Einheit da.'

Zoals bekend was de slogan van de demonstrerende Oostduitsers eerst: 'wij zijn het volk'. Later werd dat: 'wij zijn één volk'.

Ik geloof dat het nu tijd wordt te vertellen dat ik niets heb begrepen van Ein weites Feld, maar dan ook helemaal niets.

Niet na honderd bladzijden, niet na tweehonderd bladzijden en ook niet na driehonderd bladzijden.

Niet van de hoofdpersoon Wuttke, alias Fonty. Niet van zijn dag-en-nacht-schaduw Hoftaller of Tallhover, niet van het verhaal en al helemaal niets van de talloze verwijzingen naar het werk van Fontane, de Duitse geschiedenis en dan zal ik nog talloze verwijzingen uit onwetendheid over het hoofd hebben gezien. Die Wuttke wordt 'Fonty' genoemd, omdat hij zo van de schrijver Fontane houdt. Dat begrijp ik nog. Maar daarna heerst duisternis. Waarom Fonty doet wat hij doet en zegt wat hij zegt, wat hij met Fontane heeft, wat hij met de Duitse eenwording heeft, het blijven raadsels. Je moet wel heel welwillend zijn en weinig vertrouwen hebben in je eigen intelligentie wil je die raadsels voor diepzinnigheid houden. Er staan prachtige stukjes en zinnen in, ja, maar is dat genoeg voor een roman? En een roman wil Ein weites Feld nog altijd zijn.

Een Duitse criticus schreef dat je dit boek moest lezen met het werk van Nietzsche, Bismarck, Fontane én de biografieën over Fontane ernaast. Neem me niet kwalijk, maar daar bedank ik voor. Een roman moet gelezen kunnen worden zonder veertien naslagwerken ernaast.

Grass heeft dé roman over de Duitse revolutie van 1989 willen schrijven, zoveel is duidelijk. Dat is het bekende gevaar. Iemand die alles over één onderwerp wil zeggen, zegt uiteindelijk niets meer.

Ergens in deze roman staat een ironische opmerking over bananen. Ik geloof dat dat, naast vele andere fouten, de grootste fout is die Grass in deze roman heeft gemaakt: in deze roman komen geen bananen voor, en als de laatste Duitse revolutie ergens over ging, dan was het over bananen. Toen de Muur eindelijk openging en Oostduitsers in West-Duitsland een paar mark begroetingsgeld kregen, reden vele Oostduitsers honderden kilometers naar het westen om voor het eerst in hun leven bananen te proeven.

Grass heeft gelijk. De geschiedenis heeft zich ten tijde van de Duitse revolutie, zoals zij dat wel vaker doet, vermomd als een klucht. De val van de Muur was een klucht, de ronde-tafelgesprekken waren een klucht, de politici hebben zich kluchtig gedragen, de Duitse intellectuelen hebben zich nog kluchtiger gedragen, maar één ding in deze grote klucht was geen klucht en dat waren de bananen. Wie niet begrijpt dat iemand vierhonderd kilometer reist om een banaan te proeven heeft iets essentieels over dit leven niet begrepen. In het geval van Grass: niet willen begrijpen, denk ik. Misschien dat zijn idealisme hem dat verboden heeft.

Ergens schrijft hij: 'Deshalb wurde Lothar de Maizière für Fonty zum Hoffnungsträger.' (Als u niet meer weet wie De Maizière was heeft u niets gemist, maar als u dit boek wilt lezen is het handig dat soort dingen allemaal wel te weten.)

Natuurlijk, Grass weet wat wij weten. Ook het eten van bananen is geen oplossing. Maar als je nog nooit een banaan hebt gegeten, is het goed mogelijk dat je denkt: waar de bananen zijn, daar begint het paradijs. Daar wil Grass niet aan, het paradijs mag bij hem niet bestaan uit consumptiegoederen en een banaan is ongetwijfeld een consumptiegoed. Zijn idealisme verbood hem realistisch te zijn over de Duitse revolutie. Idealisme kan - zoals bekend - gevaarlijk zijn voor een romanschrijver.

De twee belangrijkste personages Fonty en Hoftaller/Tallhover zijn dan ook nog minder dan papieren mensen geworden. Het zijn kunst-mensen geworden. Heel veel kunst, en heel weinig mens. Ik geef toe dat je dit soort mensen soms ook in de werkelijkheid tegenkomt, maar dat is geen excuus.

Fonty en Hoftaller zijn niet meer dan gereedschappen voor Grass om dé roman over Duitsland te schrijven. Maar iedere belezen Duitser, en Grass is een belezen Duitser, kent het voorbeeld van Mann en weet hoe gevaarlijk dit soort ambities is.

Kohl zei ten tijde van de revolutie: 'Als de D-mark niet naar hen komt, komen zij naar de D-mark.' En de D-mark ging naar het oosten, want het idee van miljoenen Oostduitsers die naar de D-mark komen in een soort moderne variant van de kruistochten, dat trok niemand aan. Grass beschrijft het zo: 'Die erste Milliarde kam in bewachten Spezialwagen, deren Anfahrtswege geheim blieben. Gleich umsichtig wurden dann weitere 24 Milliarden von West nach Ost geschaufelt und im Umlauf gebracht. Kaufwünsche konnten erfüllt, Träume in Tatsachen umgemünzt werden.'

Maar de D-mark en de bananen waren Grass niet genoeg, hij wilde méér en dat meer is hem fataal geworden. Ik vrees ook dat zijn keuze om een romanpersonage van een andere schrijver te gebruiken, vooral is voortgekomen uit de drang te laten zien hoe goed hij wel niet is. Ik kan wat niemand anders kan, ik maak van een afgelikte boterham nog iets smaakvols. Een schrijver die wil laten zien hoe goed hij wel niet is, is bijna altijd oninteressant.

Nee, wie iets wil weten over de Duits-Duitse verhoudingen kan beter bij een collega van Grass terecht, Edgar Hilsenrath. Die in 1983 onder het kopje Deutsch-deutsches Gespräch dit schreef:

'Hören Sie mal, Herr Zibulsky.'

'Was ist denn?'

'Würden Sie mich totschiessen?'

'Nur auf Befehl.'

En wie wat van Grass wil lezen, en er zijn redenen genoeg iets van Grass te willen lezen, kan beter terecht bij het kleine Oskartje of de, een beetje vergeten, novelle Kat en Muis. Een klein citaat uit Die Blechtrommel, zodat u het verschil kunt proeven tussen de Grass van nu en de Grass van toen.

Tussen de Grass die wil vertellen, en de Grass die iets wil zeggen. Men zegt wel eens: 'dat is een schrijver die echt iets te zeggen heeft.' Dat is net zoiets als: 'dat is een koe die echte melk geeft'. Als een schrijver iets wil zeggen, dan wordt het tijd dekking te zoeken. Waarschijnlijk gaat het om iemand die iets ontdekt heeft en dat iets met de rest van de wereld wil delen. Maar hij is zo blij met zijn ontdekking dat hij even over het hoofd ziet dat de rest van de wereld datzelfde allang ontdekt heeft.

Nu zeg ik niets onaardigs meer over Grass, want hij heeft fantastische boeken geschreven.

Hier. Oskar zit in de klas en houdt niet op met trommelen. Juffrouwen Spollenhauer komt op hem af, grijpt de trommel en zegt: 'Doch nun, wollen wir die Trommel im Klassenschrank verwahren, sie wird müde sein und schlafen wollen. (-) Noch während sie diese scheinheilige Rede abspullte zeigte sie mir ihre kurzbeschnittenen Lehrerinnenfingernägel, wollte sich an der Trommel die, bei Gott, weder müde war noch schlafen wollte, zehnmal kurzbeschnitten vergreifen.'

Een schrijver verraadt zich altijd door zijn dialogen. De dialoog van Spollenhauer, en de reactie van Oskar, leeft en knettert van spanning. De dialogen in Ein weites Feld zijn wat Spollenhauer over Oskars trommel beweert: Ze zijn moe en willen slapen.

Oskar is een echt mens geworden, zelfs de veredelde figurant Spollenhauer is een echt mens geworden. En in Kat en Muis zijn de grote Mahlke, de verteller Pilenz en het spichtige meisje Tulla echte mensen. Daar is Grass op zijn kortst en op zijn best.

Wanneer hij beschrijft hoe een stel gymnasiasten in de laatste oorlogsjaren elkaar ontmoeten op een gezonken onderzeeboot voor de kust van Dantzig. Mahlke met de grote adamsappel, een van hen, steelt op een dag de onderscheiding van een kapitein-luitenant die op school komt vertellen over zijn heldendaden. Daar, in Kat en Muis weet Günter Grass wat hij nu heel even vergeten is. Dat dromen van mensen gemaakt zijn van bananen, onderscheidingen van kapitein-luitenanten en gezonken onderzeeboten. En niet van Lothar de Maizière, Modrow of de intellectuelen van de Prenzlauer Berg.

1) De personage van Tallhover, die in deze roman als Hoftaller voortleeft, is afkomstig uit de roman Tallhover van Hans Joachim Schädlich, die in 1986 verscheen bij uitgeverij Rowohlt. (p.653)

2) Ludwig Hoftaller, wiens antecedenten onder de titel Tallhover in 1986 op de Westduitse boekenmarkt verschenen,... (p.11)

3) 'Mij staat,' zei hij, 'iets Schots voor ogen. Niet per se met doedelzak, maar iets Schots zou het toch wel moeten hebben...' (p.11)

4) '... de ander biedt door de worstmachine gehaalde Shakespeare en gruweldaden als masaprodukt. Het is als cynisme bedoeld, maar het blijft een pose en zwabbert gigantisch...' (p.79)

5) Want dat leuzen als 'Wij zijn het volk!' veranderlijk zijn als het weer, daar was ik zeker van. Je hoefde maar één enkel woordje te verwisselen of de democratie was verdwenen en de eenheid stond voor de deur. (p.47)

6) Daarom werd Lothar de Maizière voor Fonty een symbool van hoop. (p.120)

7) Het eerste miljard kwam in speciale bewaakte auto's, waarvan de routes geheim bleven. Net zo omzichtig werd vervolgens nog eens vierentwintig miljard van west naar oost geschept en in omloop gebracht. Koopwensen konden worden vervuld, dromen tegen feiten omgeruild - deze rekening leek op te gaan. (p.129)

    • Arnon Grunberg
    • vertaling Jan Gielkens