Grappen en grollen uit Italië's trecento

Franco Sacchetti: Florentijnse verhalen. Vertaald uit het Italiaans door Jan van der Haar. Inleiding: Hélène Nolthenius. Ambo, 304 blz. ƒ 59,50

Waar vind je tegenwoordig een politicus die tegelijk uitblinkt als dichter, songwriter, bijbelexegeet en verteller? In het Italiaanse trecento was er een: Franco Sacchetti. Hij leefde van circa 1330 tot 1400 en was van afkomst een rasechte Florentijn, ook al werd hij toevallig in het Dalmatische Ragusa geboren, waar zijn vader zaken deed. Na een korte handelscarrière kwam hij in de politiek terecht. Omdat zijn integere persoonlijkheid overal respect afdwong, werd hij in diverse steden in en buiten Toscane beroepen tot podestà en bracht hij het in Florence zelf tot priore.

Tussen de politieke bedrijven door profileerde hij zich als schrijver. Hij beoefende diverse genres, onder andere de poëzie, maar hij staat toch vooral bekend als auteur van de Trecentonovelle. Van deze lijvige verhalenbundel - de numeriek meest omvangrijke uit de oud-Italiaanse novellistiek - is nu onder de titel Florentijnse verhalen voor het eerst na zes eeuwen een Nederlandse vertaling verschenen. Van de driehonderd verhalen die het boek blijkens de Italiaanse titel moest bevatten, zijn er slechts 223 bewaard gebleven, een aantal dat in de Nederlandse editie nog is gereduceerd tot 105. Deze inperking is de kwaliteit zeker ten goede gekomen: nu de minder geslaagde en onafgewerkte verhalen zijn geëlimineerd, resteren er alleen nog hoogtepunten.

Het is bijna obligaat om in dit verband met Sacchetti de naam Boccaccio te laten vallen. En inderdaad valt niet te ontkennen dat de vijftig jaar eerder geschreven Decameron hét voorbeeld was voor de Trecentonovelle. Toch zijn de verschillen evident. Terwijl Boccaccio's werk kan worden gekwalificeerd als artistiek en geraffineerd, moeten we dat van Sacchetti omschrijven als ongekunsteld en volks. Hij moet zich daar ook van bewust zijn geweest, want in zijn voorwoord heeft hij het over 'verhalen die eenvoudig te begrijpen zijn'.

Behalve op het punt van taal, stijl en compositie verschilt Sacchetti ook van zijn voorganger door de aard van zijn werk. Zijn pretentieloze verhalen zijn direct uit het leven gegrepen en nemen bijna de vorm aan van stadskronieken. Ze gaan over van alles en nog wat: over geldtransacties, over eten en drinken, over vechtpartijen en diefstallen, over huisvrouwen en pastoors, over seksueel vertier. Het zijn uit de losse pols genoteerde grappen en grollen, poetsen en avonturen, anekdotes en voorvallen, doorspekt met luidruchtige kwinkslagen en flitsende dialogen. Gedeeltelijk is de auteur ('schrijver dezes', zoals hij zich soms noemt) zelf getuige geweest van wat hij vertelt, gedeeltelijk heeft hij het van horen zeggen. We kunnen ervan uitgaan dat zijn verhaalstof rechtstreeks ontleend is aan de werkelijkheid, want de meeste personages zijn historisch bekend en als zodanig ook in de archieven gedocumenteerd. Er komen trouwens ook beroemde persoonlijkheden voor als Dante, Giotto en Castruccio Castracani.

Een andere bijzonderheid van Sacchetti's Short stories is dat ze steeds worden afgesloten met een moraal. Deze moraal is, hoe paradoxaal het ook mag klinken, nooit moralistisch. De auteur is geen strenge zedenmeester die zijn lezers op de vingers wil tikken, maar een begripvol beoordelaar van de menselijke zwakheid. Zijn wijze lessen, die niet zonder pessimisme de wereld in worden gestuurd, maken de indruk hardop uitgesproken gedachten te zijn over wat er in dit leven allemaal kan misgaan.

De Nederlandse titel Florentijnse verhalen is enigszins misleidend, aangezien nog niet de helft ervan zich afspeelt in Florence. Florence is natuurlijk wel het bruisende middelpunt, maar het kan tegelijk ook gezien worden als een soort van epicentrum waaromheen heel Italië als het ware in beweging komt: van Siena tot Genua, van Ferrara tot Cortona, vn Arezzo tot Milaan, van Palermo tot Spilimburgo. Enkele keren verplaatst het toneel zich zelfs naar Frankrijk en Engeland. Als je ziet dat vrijwel alle grotere Italiaanse centra vertegewoordigd zijn, begrijp je pas goed hoe diep Rome, dat schittert door afwezigheid, in die periode gezonken was. Juist deze geografische diversiteit levert een prachtig panorama op van het Italiaanse trecento: een tijdsaanduiding die, zoals Hélène Nolthenius in haar levendige voorwoord suggereert, misschien ook terug te lezen is in de Italiaanse titel.

De vertaling van Jan van der Haar is, conform het origineel, soepel en simpel van stijl en idiomatisch mooi ingekleurd: woorden als 'hebbes' en uitdrukkingen als 'naar de Filistijnen gaan' passen uitstekend bij het volkse taalregister van Sacchetti. Des te opvallender is het dat de tekst hier en daar ontsierd wordt door archaïsmen: 'heremetijd' en 'te stade komen' hebben tegenwoordig hoogstens nog een ironische werking en niemand weet meer wat een 'tremel' en een 'kaproen' is. Maar deze kritiek is, ondanks de 38 woorden die ik eraan vuil maak, zo licht dat zij in het grote geheel haast te verwaarlozen is.

De presentatie van deze Florentijnse verhalen is een verrassend en verfrissend initiatief. Wie had ooit gedacht dat iemand nog eens Sacchetti's Trecentonovelle zou gaan vertalen? Nu dit toch gebeurd is, blijkt eens te meer hoezeer het de moeite waard is dat dit soort teksten uit het stof der eeuwen naar boven worden gehaald. Het boek is niet alleen een verzameling amusante en onderhoudende verhalen, maar door de inkijkjes die het biedt in het Italiaanse stadsleven van die tijd ook een mooi staaltje van unofficial history.

    • Frans van Dooren