Franse intellectuelen in honderdvoud

Jacques Julliard en Michel Winock (red.): Dictionnaire des intellectuels français. Seuil, 1259 blz., ƒ 110,05

Wat is een intellectueel? Dat zijn schrijvers, wetenschapslieden, academici en kunstenaars die zich bemoeien met wat hen niet aangaat, antwoordde Sartre ooit. Zelf was hij er het beste voorbeeld van. Hij mengde zich onophoudelijk in zaken waarin hij geen bijzondere competentie had en die hem alleen maar aangingen omdat hij vond dat ze iedereen aan moesten gaan.

In de zojuist verschenen Dictionnaire des intellectuels français hebben de historici Jacques Julliard en Michel Winock, bijgestaan door een groot team aan medewerkers, er ruim driehonderd verzameld en beschreven. Het zijn mannen (maar zo'n tien procent is vrouw) die de afgelopen honderd jaar hun stempel hebben gedrukt op het Franse openbare leven, zonder daartoe door hun beroep voorbestemd te zijn geweest. De enkele politicus die toch is opgenomen (Blum, Jaurès) was, aldus de samenstellers, al een intellectueel voordat hij de politiek in ging.

De lemma's zijn gemiddeld anderhalf tot twee pagina's lang en geven een korte intellectuele biografie en een beknopte literatuurlijst. Naast persoonlijke telt het boek ook een groot aantal zakelijke lemma's, gewijd aan tijdschriften, bijzondere gebeurtenissen, affaires, instituten en knooppunten van het Franse intellectuele leven. Kruisverwijzingen en een goede namenindex ontsluiten het boek verder; alleen een zakenindex wordt node gemist.

Dat Dictionnaire zich beperkt tot de laatste honderd jaar hangt direct samen met de Dreyfus-affaire, die tegen het eind van de vorige eeuw ontbrandde en het woord 'intellectueel' op ieders lippen bracht. Dat is vooral te danken aan Georges Clemenceau, die in vier jaar tijd meer dan zeshonderdvijftig artikelen aan de affaire wijdde. 'Is het geen teken aan de wand, al die intellectuelen, komend uit alle windstreken, die zich groeperen rond een idee en daaraan onwrikbaar vasthouden?' schreef hij in 1894.

Die polemische betekenis van het woord was nieuw, al was de term zelf dat niet; bij Saint-Simon en Renan is hij al te vinden. Nieuw was ook het zelfbewustzijn waarmee deze intellectuelen naar buiten traden: als vrije denkers, verzameld rond de idee van waarheid en gerechtigheid zonder aanzien des persoons. Die is hoog gegrepen en die pretentie is meer dan eens als een boemerang op de intellectuelen teruggeslagen. Al ten tijde van de Dreyfus-affaire aarzelde Clemenceau's tegenspeler Maurice Barrès niet het woord ironisch de aanmatigende klank mee te geven die het nooit helemaal is kwijt geraakt.

In hun voorwoord bij de Dictionnaire bestrijden Julliard en Winock dat de rol van de klassieke intellectueel uitgespeeld zou zijn, nu de grote ideologieën dood en begraven lijken. Daarmee is volgens hen eerder opnieuw de ruimte vrijgemaakt voor wat intellectuelen eigenlijk zouden moeten zijn: specialisten in de meest algemene vragen waarmee de samenleving worstelt. Intellectuelen moeten zich bekommeren om de waarden waardoor de samenleving zich laat leiden, en de rechten die zij mensen toekent en die ze te beschermen heeft.

Die tegenstrijdige omschrijving, 'specialist' te zijn in wat het meest algemene is, geeft de intellectueel zijn ongrijpbare status en inspireerde ook Sartre's definitie. Want ten aanzien van die algemeenheid kan niemand aanspraak maken op bijzondere comptentie, en toch gaat ze iedereen aan. Het verraad van de intellectuelen, dat hen in deze eeuw zo vaak in diskrediet bracht, bestond erin dat zij deze onpartijdige algemeenheid inruilende voor een partijdigheid die aan waarheid en gerechtigheid een eigen invulling gaf. Al in 1927 waarschuwde Julien Benda voor dit 'verraad der klerken', dat Julliard en Winock vooral aan de invloed van de Russische Revolutie toeschrijven.

Sartre, de emblematische intellectueel van deze eeuw, maakte zich aan die partijdigheid op flagrante wijze schuldig. Julliard en Winock zien hem dan ook niet als de laatste grote figuur uit een intellectuele traditie die met Voltaire begon, maar eerder als de verloren zoon daarvan. Wel heeft hij zelf nog de grootheid gehad die ongelukkige tussenperiode af te sluiten. In 1979 reikte hij Raymond Aron de hand tijdens een solidariteitsbijeenkomst voor de Vietnamese bootvluchtelingen en bezegelde daarmee een hernieuwde intellectuele bekommernis om het humane, menen zij.

In de meer dan twaalfhonderd bladzijden van deze Dictionnaire zijn de bewogen momenten van de recente Franse intellectuele geschiedenis van de afgelopen eeuw voorbeeldig geboekstaafd. Het boek is onmisbaar voor ieder die zich met de literatuur, filosofie en politiek bezig houdt. Men vindt er een enorme hoeveelheid feitenmateriaal, die langs andere wegen vaak moeilijk te vinden is, vooral wanneer het recente of inmiddels alweer half vergeten kopstukken betreft.

Maar vooral nodigt het boek uit tot bladeren. Mede dankzij de vele doorverwijzingen kan elk lemma het begin worden van een zwerftocht door de fascinerende intellectuele geschiedenis van het twintigste-eeuwse Frankrijk. Hoe rijk en grillig die was, wordt op deze dwaalwegen pas goed duidelijk. Wie in dit onuitputtelijke boek eenmaal begint te bladeren, houdt niet meer op.