Een bijna-goed boek van Gerrit Krol; Langs een rozenkrans aan liefdes

Gerrit Krol: Middletons dood. Querido, 238 blz. ƒ 39,90

Het eigenaardige van lezen is dat het pas goed begint wanneer je uitgelezen bent. Eerst ga je zin voor zin de woorden af, de tunnel van de taal in. Je verlaat je eigen leven en stapt binnen in een wereld van verwarringen, waar je het zicht over de dingen gaandeweg verliest. Pas na de laatste punt, als je de tunnel uitkomt en kunt terugkijken, ga je langzaamaan begrijpen waar je eigenlijk geweest bent. Het woord wordt beeld, om met Gerrit Krol te spreken. 'Het verhaal is uit, het boek is gesloten, maar het opent zich thans voor ons oog, omdat het oog kan wat ons oor niet kan: het verhaal zien als geheel.'

Zo vergaat het lezers maar ook schrijvers, naar Krols zeggen, in de eerste plaats hemzelf. Toen hij na het verschijnen van De weg naar Sacramento, 1977, voor het eerst op de roman kon terugkijken, zag hij er plotseling de grondstof in voor een volslagen ander boek. Onuitgewerkte flarden over de doodstraf groeiden uit tot een essay dat de roman uitbarstte en een eigen leven kreeg. Passages die een gruwelijke doodslag aan het einde voorbereidden konden weg en zelfs die doodslag, een gebeurtenis waar heel het boek op afging, was die wel op zijn plaats? Hij sneed het boek tot losse scènes, knipte, plakte, schreef en schrapte, en kwam elf jaar later met De weg naar Tuktoyaktuk, een roman die niet meer in de weg gezeten werd door de structuurdwang van een plot. 'Een boek waarin de gebeurtenissen allemaal hun eigen waarde hebben,' legt het nawoord uit, 'en dat zich behaaglijk koesterde in het volledige effect ervan omdat er niets meer hóéfde te gebeuren.'

Dat moet hem goed bevallen zijn, want dezer dagen ligt opnieuw een remake in de winkel - overigens betiteld als vervolg, wat even slim als frauduleus de indruk wekt dat het om een totaal nieuw boek gaat. Het is een bewerking van De ziekte van Middleton, een van zijn eerste romans, eind jaren zestig, en verrassend genoeg een heel andere bewerking, spiegelbeeldig bijna aan de vorige. Dit keer zijn het juist de terzijdes die hij heeft geschrapt, een wemeling aan filosofische probeersels die als snippers door het boek lagen gestrooid. Zo bleef een dun geraamte over, het karkas van een verhaal, met een begin maar zonder veel eind, dat hij vervolgens weer heeft aangekleed met scènes en een plot. Een plot, nota bene, rond een moordenaar. Dit keer is er juist wèl iets dat gebeuren moet.

Iets met de held om te beginnen. Hij heet anders dan voorheen, niet meer Jaap Pipper maar Wouter van der Pijl, en is een jaar of vijftien jonger, geboortejaar 1950. Maar zijn worsteling is nog geheel dezelfde. Hij verzamelt plaatjes van een oude pin-up, Margaret Middleton, beroemd om haar oogvangende boezem, en begeert haar deerlijk. Hij begeert haar alle dagen, alle uren, op zijn werk en thuis en zelfs, of juist, tussen de lakens bij zijn vrouw. Hij gaat vreemd, in gedachten, en hij ziet dat als een ziekte. De ziekte van Middleton.

Aan dat gegeven voegt de schrijver deze keer, heel listig, een nuance toe. Door Wouters ogen krijgen we nu ook een indruk van zijn vrouw, Regina, die ineens een linkse activiste blijkt te zijn. Ze zet zich in voor Stanley P., een crimineel die in een Amerikaanse cel al twee jaar wacht op de voltrekking van zijn doodvonnis. Hij is veroordeeld voor moord, een dubbele moord, maar één blik op zijn foto en ze weet dat hij het nooit gedaan kan hebben. Ze hangt affiches van hem op in de WC, raakt volledig in zijn ban en richt haar leven op hem in. Ze lijdt aan een verpolitiekte variant op de ziekte van Middleton, zou je kunnen zeggen, met een delinquent als pin-up.

Daarmee verbreedt Krol zijn verhaal. Die pornografische zucht, als je het zo kunt noemen, is niet zomaar iets van zonderlingen, ze doortrekt de hele maatschappij, misschien wel meer dan ooit. Een zus van Wouter, die getrouwd is met een predikant en in De ziekte van Middleton de Playboy al liet slingeren, komt zelfs tot het bevrijdend inzicht dat het heil niet langer op de kansel ligt. Ze stapt uit de kerk en kiest een nieuwe branche. Ze gaat in seksartikelen - van God naar geilheid.

Tussen de regels door begint daardoor de vraag te jeuken wat dat is, die collectieve manie, laat in onze eeuw. Een antwoord krijg je niet, tenminste niet hardop, maar ik vermoed dat Krol verband ziet met het fotografische van porno. Het zijn beelden waar de personages achteraan gaan, plaatjes, aan de werkelijkheid ontleend maar daarvan losgeraakt. Ze vormen een soort afgeleide wereld, ideaal en onbereikbaar als de hemel, maar toch soepel naar je hand te zetten. Ze onderwerpen zich aan je verbeelding en verschaffen je daarmee, als een geloof, een veilig gevoel van overzicht en overwicht, van macht over de dingen.

Dat is meer dan welkom voor een man als Wouter, want die macht ontbreekt hem allerwegen. Hij stelt niet veel voor, naar eigen zeggen, hij is een laagvlieger, hij is 'ellende'. Hij wil in het leven passen, aan het leven meedoen, maar hij blijft een eenling, opgesloten in zichzelf. Dat maakt de buitenwereld al vanzelf haast tot een beeld, iets waar je tegenaan kijkt, en dat merk je ook aan hem. Hij leest de tekens die zijn medemensen afgeven zoals je een verkeersbord leest. Men neigt naar voren (aandacht), houdt papieren vast (positie op kantoor) of blaast de ander rook toe (macht). Alles wordt een plaatje.

Wat Wouter en de zijnen doen, als ik het goed zie, is proberen van die zwakte een kracht te maken. Ze verruilen hun beelden van de werkelijkheid voor de veel mooiere beelden van hun dromen. Ze gaan leven, zoals vaker in het werk van Krol, naar hun wellustige visioenen, met als resultaat dat die voor hen soms werkelijker worden dan de werkelijkheid zelf. Het leven om hen heen verdwijnt achter glas, zelfs hun geliefden zweven ergens in de verte. Ze zijn alleen met hun illusie.

Dat kan niet goed gaan, dat spreekt, en dat is ook wat Wouter mag ontdekken. Net als in De ziekte van Middleton stuurt Krol hem, na een onvermijdelijke scheiding van Regina, langs een treurstoet aan vriendinnen, heel de wereld over, almaar dromend van de hemelse geliefde van zijn vieze plaatjes - die overigens inderdaad al is gaan hemelen, zo hoort hij links en rechts. Maar aan het einde van de rit, en dat is nieuw, wacht hem opnieuw Regina, die intussen naar Amerika geweest is voor haar eigen pin-up. Samen gaan ze af op de ontknoping, een wending die ik niet verraden zal maar die ontredderend genoeg is om Wouter bij te brengen dat het blinde najagen van een lustdroom in de werkelijkheid kan uitlopen op even blinde vernietiging. Hij is op slag 'genezen' van zijn ziekte.

De dood van Middleton, heet de roman dan ook terecht. De pin-up is dood, niet enkel als persoon maar ook als beeld. Het hele boek laat zich begrijpen als een aanloop tot dat aanzicht, een besef van het gevaar dat kleeft aan beeld en verbeelding. Maar dat geeft het boek tussen de regels ook een halsbrekende opdracht mee. Want wat is het zelf, als het geen beeld en verbeelding is? Hoe te voorkomen dat het met de dood van Middleton meteen zijn eigen vonnis tekent?

Het is een vraag die Krol zich in zijn werk van meet af aan al heeft gesteld. Hij zoekt naar een manier om beelden als beeld te laten zien, dus met de bijbetekenis dat je ze niet dient te verwarren met gedocumenteerde werkelijkheid. Vooral een vroeg boek als De ziekte van Middleton grijpt elke kans om je te laten voelen dat hier een beeldenmaker aan het werk is. Lees je het nu terug, dan vind je een wat modieus experiment, vol met citaten en uitweidingen, geregeld onderbroken door (...) om je in te peperen dat er lacunes in de tekst zijn, en ten overvloede nog geïllustreerd met schema's en plaatjes uit de vieze blaadjes. Een beetje veel, achteraf gezien.

Tegenwoordig doet Krol het subtieler. Middletons dood kan bijna doorgaan voor een recht-door-zee verhaal, met kop en staart en naam en toenaam. De constructie ligt verborgen onder de gebeurtenissen, alles wat je leest lijkt 'werkelijk'. Pas tegen het einde zie je het geraamte. Steeds meer personages krijgen met elkaar te maken, ze ontmoeten elkaar in Caracas of in New York, ze trouwen onderling of plegen onderling juist overspel, en als ten slotte Wouter en Regina zelfs weer samenkomen, in Venetië, toevallig, krijgt het geheel iets hoogst kunstmatigs. In het toeval van de personages schemert de berekening van de schrijver. Hij zet hen naar zijn hand.

Maar hoe subtiel Krol dat ook doet, op zijn ontspannen, lichte, laconieke toon, gelukkig kan ik die constructie niet echt vinden. Het duurt wel erg lang voor zijn Wouter in de gang van vrouw naar vrouw bij de ontknoping komt, je moet een hele rozenkrans aan liefdes langs, het houdt niet op. En is hij dan bij de ontknoping, dan wordt de schok die hij in petto heeft door de omringende kunstmatigheid maar nauwelijks een schok. Terwijl je kijkt naar Wouter, op een keerpunt in zijn leven, zie je toch vooral de schrijver, trekkend aan de draden van zijn plot. Hij laat je zien dat je een beeld ziet, zogezegd, maar daarmee is ook alle werkelijkheid verdwenen, die van de held incluis. Je valt het boek uit.

Middletons dood is al met al een typisch en spijtig voorbeeld, lijkt me, van een bijna-goed boek van een goede schrijver. Er ligt een eigen wereld in verborgen en een eigen stijl, ideeën, alles, maar ergens onderweg is er iets misgegaan. Krol moest het maar eens overlezen, nu het in de winkel ligt. Ik zie er nog een derde Middleton van komen.

Citaat:

Met Margaret Middleton maakte ik kennis op een middag dat ik op weg was naar de bibliotheek. Het regende en ik schuilde in een portiek. Toevallig de portiek van een winkel genaamd TIJDSCHRIFTEN. Daar zag ik haar, op kniehoogte. Onder tegen de ruit, naast een dooie vogel. Het schaamomslag was niet breed genoeg, besloeg niet de volledige omvang van haar boezem. Ik ging naar binnen en daar, met het boekje in handen, bladerend, kreeg ik de ongelooflijke waarheid onder ogen. Mijn handen trilden, mijn hart ging tekeer, ik hoorde mijzelf snuiven als een werkpaard. De vrouw achter de toonbank keek toe. Ik betaalde, kreeg het boekje opgerold in neutraal papier overhandigd en maakte dat ik de winkel uitkwam.