Dissertatie over Huizinga; Een cultuurheld voor deze tijd

Léon Hanssen: Huizinga en de troost van de geschiedenis. Verbeelding en rede. Balans, 500 blz. ƒ 75,-

De wonderlijkste cultuurheld van onze tijd is misschien wel Johan Huizinga. Nu, meer dan een halve eeuw na zijn overlijden in februari 1945, is het aanzien van de schrijver van Herfsttij der Middeleeuwen, Homo Ludens, en In de schaduwen van morgen onomstreden in de gehele wereld. Zijn faam is zelfs zo waterdicht dat het moeilijk is zich voor te stellen hoe gerafeld Huizinga's roem in Nederland nog niet zo lang geleden was.

Aan het eind van de jaren vijftig werd zijn Verzameld Werk verramsjt, omdat men het aan de straatstenen niet kwijt kon. In 1972 haalde een matig bezocht congres ter gelegenheid van Huizinga's honderdste geboortedag nauwelijks de krant. En nog recenter maakte ik mee hoe geschiedenisstudenten in de collegebanken zich hardop afvroegen hoe de naam van deze hen geheel onbekende man moest worden gespeld.

Huizinga's come-back als erflater van onze beschaving is even spectaculair als succesvol, en bovendien bijna exact in de tijd aan te wijzen. In 1989 verscheen het eerste deel van de prachtige driedelige Briefwisseling onder redactie van Léon Hanssen, Wessel Krul en Anton van der Lem, en dat was het begin van een cascade van studies, monografieën, gelegenheidsuitgaven, voordrachten, en congressen - niet zelden trouwens geïnitieerd door datzelfde driemanschap. Een en ander werd begeleid door een media-attentie die de ernstige, grijsgeboren en wat harkerige Gronings-Leidse geschiedschrijver en cultuurcriticus opstootte tot zoiets als een pop-icoon van de geletterde kringen.

Huizinga, dat is beschaving, heet het thans, nu universitaire onderzoeksinstituten op zoek naar allure zich met zijn naam tooien, nu plechtige lezingen naar hem worden vernoemd, nu postmoderne geschiedfilosofen zich hebben geworpen op zijn gedachtengoed, en nu sedert 1990 in Nederland letterlijk ieder jaar één of meer boeken aan hem werden gewijd.

Aan die stapel heeft zojuist Léon Hanssen zijn vuistdikke dissertatie toegevoegd. Onder de titel Huizinga en de troost van de geschiedenis beoogt deze Amsterdams-Tilburgse cultuurhistoricus zijn onderwerp in een bredere dan louter geschiedkundige traditie te beschouwen. Terwijl zijn co-redacteuren van de Briefwisseling in hun proefschriften Huizinga vooral als Nederlands geschiedschrijver belichten (Kruls Historicus tegen de tijd verscheen in 1990 en Van der Lems werk over Huizinga en de Nederlandse beschaving zal begin volgend jaar het licht zien), wil Hanssen zijn onderwerp uitdrukkelijk plaatsen in het 'intellectuele en artistieke kader van de Europese cultuurhistorie'. Voor hem geen historiografische fijnslijperij, want, meent hij, 'Huizinga spreekt voor zichzelf'.

Of dat werkelijk zo is, weet ik niet. In ieder geval vermijdt Hanssen op deze manier de paradox dat ondanks Huizinga's grote roem thans weinig of niets nog overeind staat van zijn historische inzichten. In ieder geval trekken bijzonder weinig praktizerende historici zich iets aan van hetgeen hij te berde bracht. Bijna geen moderne studie over de vijftiende eeuw in Noord-Europa is op enigerlei wijze schatplichtig aan Herfsttij, geen eigentijdse kunsthistoricus onderschrijft Huizinga's centrale visie op de schilderkunst van Jan van Eyck (die tegenwoordig wel degelijk geldt als voorbode van de Renaissance en niet als laatste opflakkering van de middeleeuwen), en geen cultuurhistoricus slaat thans acht op Huizinga's stelling dat ridderschap in de vijftiende eeuw nog slechts een ritueel was, en geen waarachtige voorbereiding op oorlog. Slechts een handjevol historici, die de vage esthetiserende methodologische opmerkingen van Huizinga tot 'geschiedfilosofie' willen uitroepen, leest zijn Cultuurhistorische verkenningen of Geschonden wereld met een ander oogmerk dan de historicus te begrijpen in zijn eigen tijd.

Dat wil geenszins zeggen dat Huizinga's reputatie op het drijfzand van modegrillen is gebouwd. Hij was zonder twijfel de origineelste en fraaist schrijvende historicus die Nederland kent, en belangrijker nog: hij was iemand die in het gistend intellectueel en cultureel klimaat van de eerste helft van de twintigste eeuw een rol van betekenis heeft gespeeld.

Dat laatste aspect nu tracht Hanssen in zijn boek van vele kanten te belichten. Misschien wel van te veel kanten. Wat de lezer door Hanssen krijgt voorgezet, is ronduit duizelingwekkend: het gaat in hinkstapsprong van de 'erotische ironie' van Thomas Mann naar Plato's 'strijd tegen de verbeelding', van Nikolaj Berdjajev's 'nieuwe middeleeuwen' via de staatsconceptie van Ernst Renan naar de Einbildungskraft bij Kant en Fichte, van de visie van Albert Verwey op de Nederlandse identiteit naar de 'goddelijke verbeelding' van Johannes Amos Comenius, en van de poëzie van Baudelaire naar de ondergangsgedachten van Ortega y Gasset (de Spaanse cultuurcriticus stuurde trouwens zijn zoon naar Leiden om colleges bij Huizinga te volgen). En dat is nog maar een fractie van een weids meanderend betoog over Huizinga als exponent van een 'betekeniscrisis' in de Europese cultuur - een betoog waarin mooie delen worden afgewisseld met onsamenhangende theoretische excursen, die af en toe zijn gelardeerd met duistere orakeltaal van Derrida en andere postmodernisten.

Hanssen concludeert dat Huizinga voor ons 'veel interessanter en spraakzamer blijkt waar zijn problematiek nog onopgelost is', en 'waar hij, om zo te zeggen ons geen versteende bloemen heeft te bieden maar vervloeiende grenzen'. Daarvoor dient de historicus 'waarschijnlijk' teruggezet te worden op een Europees plaform, in een Europees debat, 'ook al zou daarbij zijn grootsheid en wijsheid in het geding kunnen komen'. Helaas gunt Hanssen zichzelf geen adempauze uiteen te zetten hoe dat precies zit. Maar misschien is dat geen wonder, want: 'Het verlossende antwoord is, gegeven de aard van de cultuurproblematiek, gedoemd altijd uitstaand te blijven.'

Als een boek werkelijk iets te betekenen heeft, poneert Hanssen uitdagend, 'schept het verwarring'. Wat dat betreft moet zijn boek wel iets te betekenen hebben. De vraag is alleen wat. Er is hier ongetwijfeld veel te halen, maar zeker is dat de lezer het vaak zelf van de pagina's moet schrapen. Het moet gezegd dat de passages waarin concrete historische onderwerpen worden behandeld (enkele daarvan publiceerde Hanssen eerder in beperkter vorm) in Huizinga en de troost van de geschiedenis de boeiendste delen vormen.

Zo wordt fraai licht geworpen op de merkwaardige verhouding tussen Huizinga en zijn leerlingen Jan Romein en Jef Suys, die onderling spraken van 't ventje als zij hun leermeester bedoelden. Romein was een van de weinige serieuze critici van Huizinga in de jaren voor 1940, maar steeds vaker bleek hoe hij bijna gebukt ging onder een obsessie met zijn hoogleraar en een sterk 'navolgingssyndroom'. Treffend laat Hanssen ook zien hoe Romein en vooral de onorthodoxe Suys langzamerhand weggleden in illusieloosheid over de mogelijkheden van de geschiedwetenschap en van het leven zelf. Geschiedfilosofisch vatten zij hun visie samen in een aforisme dat zij bedachten als versiering voor de studeerkamer van Romein: 'De geschiedenis is waard gekend te worden / al weten wij dat het kennen haar onwaar maakt.'

Aardig en overtuigend is ook de behandeling van de wording van de Duitse vertaling van Herfsttij der Middeleeuwen. Nadat het werk in 1919 in een oplage van 1600 exemplaren in Nederland was verschenen, moest reeds twee jaar later een volgende druk met een oplage van 3000 worden opgelegd. In datzelfde jaar kreeg Huizinga van Drei Masken Verlag uit München bericht dat men van plan was een integrale Duitse vertaling te publiceren. Op voorspraak van Huizinga werd als vertaalster Mathilde ('Tilly') Jolles-Mönckeberg aangetrokken, de voormalige echtgenote van zijn vriend André Jolles.

Huizinga en Jolles bekommerden zich diepgravend om de redactie van de vertaling. Toch was de 'wetenschappelijk leider' van Drei Masken Verlag, Arno Duch, van mening dat in het manuscript van Herbst des Mittelalters nog teveel het Nederlands doorklonk, en hij ging met veel geduld en toewijding aan de slag om een en ander te verhelpen. Uiteindelijk zag de Duitse uitgave eerst in de vroege zomer van 1924 het licht, maar wel in een prachteditie met illustraties. Huizinga was zeer verguld met alle zorgen en moeite die de uitgeverij zich had getroost. Nadat de oplage van 1200 exemplaren aan de man was gebracht, verscheen na wederom veel ciseleerwerk van Duch in 1928 de tweede druk (2400 exemplaren waarvoor Huizinga ditmaal wel een honorarium ontving), en in 1931 een derde druk die wederom bijgeslepen was.

In 1932 verkocht Drei Masken Verlag, in de tegenwind van de ongunstige economische ontwikkelingen, de rechten op Herfsttij aan Alfred Kröner Verlag te Leipzig, de uitgever van Jacob Burckhardts Die Kultur der Renaissance in Italien waarmee Huizinga's werk ook door de Duitse recensenten herhaaldelijk werd vergeleken. De reactie in Duitsland op Herfsttij was overigens vergelijkbaar met die in Nederland, maar bleek nog warmer van toon: er was in het algemeen lof voor stijl en aanpak, er waren aanmerkingen op de beperktheid van het behandelde gebied, op de eenzijdigheid van het culturele perspectief, en op de eendimensionaliteit van de ondergangsgedachte. Interessant is dat Hanssen bij deze receptiegeschiedenis ook de veel gesmade kritiek van de Utrechtse archivaris Samuel Muller Fnz. herwaardeert. Hoewel Huizinga nogal geringschattend reageerde op het uitgebreide stuk - hetgeen door zowat alle Huizinga-vorsers is overgenomen - gaat het volgens Hanssen wel degelijk om een diepgravende en grondige kritische exercitie, die nog altijd van waarde is.

Enigszins jammer is misschien dat in dit deel van het boek niet wordt ingegaan op de vrijwel gelijktijdig met de Duitse editie uitgekomen Engelse vertaling van Herfsttij, die onder toezicht van Huizinga zelf met ongeveer een derde werd ingekort en aangepast. In de Engelse tekst bracht de historicus enkele wezenlijke wijzigingen aan die de tekst niet alleen duidelijker maken, maar soms ook tot geheel andere conclusies leiden (zo heet het niet langer dat in een schilderstuk van Jan van Eyck eenheid en harmonie niet verloren gaan, doch dat ze juist wel verloren blijken te gaan).

Want wie meende dat het Huizinga in laatste instantie ging om esthetiserende beelden, en niet om geschiedkundige argumenten vergist zich. Zeker op latere leeftijd keerde hij zich tegen wat hij zag als de kunsthoogmoed en het antirationalisme van al te literaire geschiedschrijving. In zijn ziel worstelde immers, zoals Menno ter Braak dat uitdrukte, een dichter met een professor. En het is misschien deze nimmer uitgedoofde strijd die men terugvindt in de ambities, in de overvolheid, in de onevenwichtigheid, en in de fundamentele onvoltooidheid van Hanssens dissertatie.

    • Bastiaan Bommeljé