De pijnlijke geschiedenis van een weeshuis

Karlijn Stoffels: Mosje en Reizele. Querido, 158 blz. ƒ 29,90

In 1912 werd de Pools-joodse dokter Henryk Goldszmit, die als schrijver en radiospreker bekend was onder de naam Janusz Korczak, directeur van een weeshuis voor joodse kinderen in Warschau. Zijn weeshuis en de nieuwe methodes van kinderopvoeding die hij er toepaste, werden beroemd. Overal vandaan kwamen geïnteresseerde bezoekers, studenten en pedagogen kijken naar hoe Korczak zijn kinderen zelfstandigheid en moreel gevoel trachtte bij te brengen. Zijn belangrijkste uitgangspunt daarbij was dat je van een kind moet houden. Hij schijnt ooit studenten een kind te hebben laten zien door een röntgenscherm, en te hebben gevraagd: 'Zien jullie zijn angstige hart kloppen? Onthoud dat. Dat is alles voor dit college.'

Het is eind augustus 1939 als Mosje Schuster voor het eerst naar het weeshuis van dokter Korczak loopt. Zijn ouders zijn dood en hij verheugt zich helemaal niet op zijn aanstaande verblijf in het kinderinternaat. Hij weet zeker dat ze er slaan. Bovendien vindt hij het maar matig dat het een joods weeeshuis is, Mosje voelt zich Pools en hij gelooft dat de enige kans voor joden is om zo veel mogelijk Pool te worden. Dus valt hij uit als kinderen in het tehuis jiddisj met elkaar praten in plaats van Pools: 'Ik zit in die stomme tram propvol met joden, ze schreeuwen, ze zwaaien met hun armen om zich heen, ze kwekken en kwekken en je verstaat er geen woord van. Dan denk ik: praat de taal van je land, waarom mag ik niet horen wat ze zeggen? En ze stinken.'

Mosje Schuster is de hoofdpersoon van Mosje en Reizele van debutante Karlijn Stoffels. Hij wordt aan zijn tijd in het weeshuis herinnerd als hij in Tel Aviv in 1995 een radioverslaggever op bezoek krijgt die hem vraagt mee te doen aan een programma over Korczak. Maar de dan ongeveer zeventigjarige Mosje heeft geen zin om zich die tijd te herinneren en nog minder om erover te praten. Door dat bezoek en door een liedje dat hij op de radio hoort komt toch alles weer boven: de slaapzaal met zestig jongens, de kinderrechtbank die de dokter in het weeshuis had ingesteld, de toenemende voedselschaarste, de anti-joodse maatregelen die de kinderen steeds meer dwongen om binnen te blijven en Reizele, vooral Reizele.

Reizele is net als Mosje een jaar of dertien als hij haar voor het eerst ziet, ze heeft een lange vlecht en al 'figuur' en ze is met gemak het populairste maar ook het aardigste meisje van het weeshuis. En Mosje is verliefd op haar, vreselijk verliefd. “Maar Reizele is tegen iedereen lief” overweegt hij. En hij besluit weg te gaan voor het weeshuis eind 1940 verhuist naar het getto.

Of de geschiedenis van Mosje Schuster op feiten berust weet ik niet, hij speelt zich in ieder geval af tegen een achtergrond die uit feiten bestaat. Verschrikkelijke feiten. Op 6 augustus 1942 kwamen de Duitsers om het getto-weeshuis te ontruimen. Dokter Korczak, die al verschillende aanbiedingen van het verzet om hem in veiligheid te brengen af had geslagen gaat, net als zijn voornaamste assistente Stefa Wilczynska met de kinderen in een kalme optocht naar de Umschlagplatz en vandaar naar Treblinka, waar ze allemaal worden vermoord.

Mosje Schuster is aan dat lot ontsnapt. Hij verricht koeriersdiensten voor het verzet, en hoe hij precies de oorlog is doorgekomen, hoe hij in Israel is terechtgekomen, dat vertelt dit boek niet. Het gaat om de paar jaren waarin Mosje in of in de buurt van het weeshuis leefde. We leren hem kennen als een erg opgewonden en eigengereid jongetje, dat door zijn ruwheid en opvliegendheid vaak iets verpest. Bij voorbeeld het moment dat hij Reizele kust, wat toch mooi en lief bedoeld was, maar waarbij hij pijnlijk ontactvol is. 'Driftig sta ik op. Hoe doe ik een aanzoek, door Mosje Schuster. Ik trap een mosheuveltje kapot en loop weg.'

Mosje en Reizele is dankzij de jongensachtige, zich altijd groothoudende Mosje, met zijn opstandig laconieke toon, allesbehalve een sentimenteel boek. Toch is het, of eigenlijk daarom juist, een emotionerend en pijnlijk boek. Als er op de laatste avond van het zomerverblijf van de kinderen op een boerderij buiten Warschau, in 1940, vrolijk gedanst wordt en Mosje per ongeluk naar de dokter kijkt en ziet dat hij huilt, dan weet de lezer waarom - deze vrolijk dansende kinderen zullen nooit volwassen worden. Ze zullen vanaf dat moment alleen maar opgejaagd worden, tot ze zwijgend naar een trein zullen lopen. En de lezers die dat op dat moment nog niet weten, lezers die de geschiedenis van Janusz Korczac niet kennen, die weten het dan toch.

    • Marjoleine de Vos