Brueghel gaat op reis; Nederlandse musea verdienen geld met exposities in het buitenland

Het in bruikleen geven van kunst aan het buitenland vormt een steeds belangrijker bron van inkomsten voor Nederlandse musea. Vooral musea in Japan betalen veel geld voor het lenen van een Brueghel of Van Gogh. Daardoor zijn topstukken vaak maanden niet in hun eigen huis te zien. En zijn deze kunstwerken voor zulke verre reizen niet te kwetsbaar?“Ik denk dat al te veel rondsturen van kunst niet verantwoord is”, zegt Rudi Fuchs, directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam.

In de herfst van 1992 werd de directie van Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam benaderd door een Japanse kunstmakelaar die een tentoonstelling wilde maken met hoogtepunten uit de collectie oude kunst van het museum. De makelaar wilde deze expositie in drie musea in Japan organiseren, en wilde daarvoor zo'n zestig werken van het Boijmans lenen - tegen een forse vergoeding. In samenwerking met hoofdconservator Jeroen Giltay werd een lijst samengesteld van schilderijen die voor de reis in aanmerking zou komen: een Rembrandt, een Rubens, een Hals, ook werken van Flinck, Bol, Steen en Van der Helst, zelfs de enige Titiaan die het museum rijk is zou meegaan. Toen de lijst af was, had het geheel een verzekeringswaarde van zo'n 200 miljoen gulden. Het Boijmans hield er volgens ingewijden ongeveer een miljoen gulden aan over - het museum wil het bedrag niet noemen.

De voorgestelde loan-fee zou nog hoger worden als het Boijmans bereid was ook Brueghels Toren van Babel, een van de topstukken van de collectie, naar Japan te sturen. “Daarmee stelden ze ons voor een groot dilemma,” zegt Jeroen Giltay, “want dat paneel wilden we eigenlijk niet uitlenen. Het is een uniek stuk, en voor ons museum zo belangrijk dat we het eigenlijk niet kunnen missen. Daar stond tegenover dat de Toren van Babel een fors bedrag extra zou opleveren - zo fors, dat ik bereid was er nog eens goed over na te denken. Ik ben toen met de betrokken restaurator gaan praten en samen hebben we een kogelvrije klimaatcabine voor de Toren bedongen. Toen dat mogelijk bleek zijn we overstag gegaan - het geld was tè aanlokkelijk.”

Het in bruikleen geven van kunst aan het buitenland vormt de laatste jaren een steeds belangrijker bron van inkomsten voor musea. Waar ze vroeger, naast de subsidies, hun geld verdienden met de kaartverkoop en het verkopen van ansichtkaarten en boeken, hebben musea nu ontdekt dat met het uitlenen van hun collectie ook veel geld is te verdienen. Bijna ieder groter Nederlands museum heeft de afgelopen jaren wel een tentoonstelling uit de eigen collectie samengesteld en te gelde gemaakt - vooral in Japan en Zuid-Korea, landen waar men graag Westerse kunst wil zien. Museum Kröller-Müller stuurde bijvoorbeeld een aantal van zijn Van Goghs naar Yokohama en Nagoya in Japan, en ontving daarvoor drie miljoen gulden. Het Eindhovense Van Abbemuseum maakte in 1994 de tentoonstelling View of the 20th Century masterpieces of the Stedelijk Van Abbemuseum, te zien in zes Japanse steden, en kreeg daarvoor een kwart miljoen. Het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden kan in Japan zo'n drie ton bedingen voor een overzicht van haar collectie. De donatie van 37 miljoen gulden die het Van Gogh Museum uit Japan ontving als steun voor de uitbreiding, kreeg het niet voor niets: als dank maakte het Van Gogh vijf kleine tentoonstellingen in Japan.

Privatisering

Deze handelsgeest strookt niet erg met de traditioneel conservatieve opstelling van een museum. Een museum is immers een behoudende instelling, in de eerste plaats uit op het exposeren en bewaren van cultuurgoederen. Met dat besef zijn generaties van conservatoren en directeuren opgevoed: met de collectie doe je geen gekke dingen. Af en toe wat schilderijen uitlenen aan een collega-museum in Nederland was geen probleem, maar ze de wereld over sturen was nicht im Frage - zeker niet voor geld. Voor de meeste van hen was het dan ook een schok toen de overheid in 1991 met het plan kwam om alle Rijksmusea te verzelfstandigen. Musea krijgen dan een vastgesteld bedrag van het rijk. Als er tekorten zijn moeten de musea dat zelf zien aan te vullen. Ondanks de angst bij musea om te worden opgezadeld met structurele tekorten, begon de verzelfstandiging in 1994: op 1 juli van dat jaar werden onder meer het Van Gogh-museum in Amsterdam en Museum Kröller Müller in Otterlo 'zelfstandig'. Vorig jaar volgden onder andere het Mauritshuis in Den Haag en het Rijksmuseum in Amsterdam. De musea, ook de niet-verzelfstandigde, gingen vanaf dat moment nadenken over de manier waarop ze voortaan zelf meer inkomsten konden verwerven. Pas op dat moment realiseerden ze zich dat ze eigenlijk maar een inkomstenbron hadden: hun collectie - al die schilderijen, beelden en andere voorwerpen die ze decennialang op zaal en in hun depots hadden gekoesterd.

In de eerste verbazing over deze nieuwe goudmijn heerst in de musea nogal wat onenigheid over de bezwaren tegen het bruiklenen. Zo is reizen voor de conditie van de betreffende kunstwerken niet erg bevorderlijk - geen schilderij wordt er beter van om onder forse druk- en temperatuurverschillen van vliegtuig naar vliegtuig te worden gesleept. Daarom bedingen musea meestal allerlei dure druk- en vochtregulerende klimaatkisten voor het vervoer, maar ook die garanderen niet dat een kunstwerk veilig de plaats van bestemming bereikt. Zo werd enige tijd geleden in een artikel in Studies in Conservation, het vakblad voor restauratoren, melding gemaakt van schade aaan een schilderij van Courbet uit een Japanse collectie: tijdens een transport naar New York in zo'n klimaatkist hadden door verkeerde vochtregulering brokjes verf losgelaten. In net zo'n kist liet het Boijmans de Toren van Babel vervoeren.

Onder museumdirecteuren- en conservatoren is de mening over het gevaar van zulke transporten verdeeld. “Schilderijen zijn net mensen waar het vervoer betreft”, zegt Rudi Fuchs, directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam. “Bedenk zelf maar eens hoe je je voelt als je heen en weer naar Japan bent gevlogen. Dat moet je niet te vaak doen, want dan ben je uitgeput, en heb je rust nodig. Ik denk dat al te veel rondsturen van kunst niet verantwoord is.” Sjarel Ex, directeur van het Centraal Museum in Utrecht zegt daarentegen: “Die klimaatkisten zijn zo ontzettend goed, daarin kan transport werkelijk op geen enkele wijze kwaad. Alle omstandigheden zijn in zo'n kist perfect geregeld.”

Ex is een van de directeuren die zijn collectie regelmatig in bruikleen geeft en daarmee zijn jaarbudget substantieel aanvult. Zijn Centraal Museum verdient per jaar zo'n 3,5 ton met het maken van tentoonstellingen in het buitenland, zoals de Rietveld-tentoonstelling die door heel Europa reisde, en een overzicht van de collectie dat getoond werd in de Spaanse steden Madrid, Bilbao en Barcelona. De revenuen daarvan gebruikt Ex in de eerste plaats om het structurele begrotingstekort van 250.000 gulden per jaar, waarmee zijn museum kampt, aan te vullen, maar ook voor extra stortingen in het aankoopfonds. Ex heeft daarvoor nog een manier gevonden om zijn collectie te gelde te maken. “Sinds enkele jaren”, vertelt Ex, “kunnen bedrijven uit de regio Utrecht kunstwerken bij ons huren. Dat doen we puur voor de inkomsten. Het gaat daarbij niet om de topstukken uit de collectie, die vaak op zaal hangen, maar om de stukken die meestal in het depot verblijven. Om zo'n kunstwerk te krijgen, moet een bedrijf 1000 gulden per voorwerp per jaar betalen, inclusief de verzekering en levering van spijker tot spijker. Ze kunnen minimaal tien en maximaal veertig werken afnemen, en een contract geldt voor minstens drie jaar. Tot nu toe hebben we met de verhuur jaarlijks omstreeks 75.000 gulden verdiend. Dat lijkt weinig, maar we staan nog aan het begin van dit project. En 75.000 gulden is toch een hele formatieplaats, of een derde van ons begrotingstekort.”

Ex is niet de enige directeur die gaten in zijn begroting dicht door het uitlenen van kunstwerken. Vorige maand werd bijvoorbeeld bekend dat het Amsterdamse Stedelijk Museum een tekort had van 1,1 miljoen, ontstaan in een potje dat was gecreërd met de winsten op de Malevitsj-tentoonstelling. In dit 'bijzondere-projecten' fonds was door intensief gebruik, de verliezen van de tentoonstelling De Grote Utopie werden er bijvoorbeeld mee afgedekt, een negatief saldo ontstaan van bijna 700.000 gulden, inclusief rente 1,1 miljoen. Nu eiste de gemeente Amsterdam dat het museum dit tekort voor het einde van 1997 zou aanvullen.

Ook Rudi Fuchs, directeur van het Stedelijk, besloot een tentoonstelling samen te stellen uit de collectie van zijn museum. Zo'n zestig werken koos hij uit, waaronder schilderijen van Mondriaan, Malevitsj, Barnett Newman, Jackson Pollock, Jan Dibbets en Georg Baselitz. Dit overzicht leende hij uit aan vijf musea, vier in Japan en één in Zuid-Korea, die daar gezamenlijk meer dan een miljoen gulden voor over hadden - het Stedelijk was van zijn tekort verlost. Fuchs is zich er echter van bewust dat zijn oplossing nogal wat nadelen met zich meebrengt: zo zullen de werken, topstukken uit de collectie, maandenlang niet in het Stedelijk te zien zijn. “Het is ook niet de bedoeling dat wij de gaten in onze begroting gaan dichten door werk uit hun collectie uit te lenen”, zegt Fuchs. “Ik ben niet van plan dit soort projecten veel vaker te doen, maar in dit geval werd ik er door de gemeente min of meer toe gedwongen.”

Tegenbruikleen

Het in bruikleen geven van kunst is traditioneel, vooral tussen westerse musea, een gentlemen's agreement. Als het Amsterdamse Rijksmuseum bijvoorbeeld een schilderij uit de collectie van de National Gallery in Londen nodig heeft, kan het dat meestal zonder veel omhaal krijgen, omdat de National Gallery weet dat het altijd kan rekenen op een 'tegenbruikleen'. Status en 'leenpotentieel' zijn voor musea dan ook belangrijk: het Rijksmuseum, het Stedelijk en het Van Gogh kunnen moeiteloos aankloppen bij de Tate Gallery, de National Gallery of het New-Yorkse Museum of Modern Art. Maar hoe minder je als museum te bieden hebt, hoe minder aantrekkelijk je als ruilpartner bent. Wil je dan voor het samenstellen van een tentoonstelling toch een stuk lenen uit een bekende collectie, dan moet daar steeds vaker geld tegenover staan. Dat is ook het probleem voor de Japanse musea, die wel graag Westerse kunst willen tonen, maar niets hebben om 'terug te lenen'. In Japanse kunst zijn westerse musea niet geïntersseerd.

De Nederlandse musea die veel kunst in huis hebben waarvan Japanners houden zijn in een bijzonder voordelige situatie terecht gekomen. Vooral het Van Gogh Museum en Museum Kröller-Müller merken, door de gelukkige omstandigheid dat ze de twee grootste Van Gogh-collecties ter de wereld bezitten, al jaren dat Japanse kranten, supermarkten en televisiestations, die vaak tentoonstellingen organiseren of sponsoren, graag veel geld betalen om deze cultuurschatten te kunnen exposeren. Het van Gogh Museum maakte al in 1976 een grote overzichtstentoonstelling in Tokio, Kyoto en Nagoya. Sindsdien verkeert het Van Gogh in een luxe positie: het kan uitlenen wat het wil - vraag is er genoeg - en kan het zich dus veroorloven kieskeurig te zijn.

“We lenen overigens veel minder uit dan mensen denken”, zegt Ronald de Leeuw, tot 1 december nog directeur van het Van Gogh Museum. “Al krijgen we heel veel aanvragen. In principe honoreren we die alleen mondjesmaat, op basis van de kwaliteit van het concept. Als er een buitengewoon goede loan-fee tegenover staat - en dan heb je het soms over miljoenen -, dan wil ik er wel eens over nadenken. Maar voor de werken is het niet goed om ze telkens de hele wereld over te sturen. Daarom lenen we het liefst alleen nog maar uit aan musea die ons ook regelmatig bruiklenen gunnen, of musea - en dan kunnen ook best de kleintjes zijn - die werkelijk met een interessant tentoonstellingsvoorstel komen. We hebben geen zin meer om telkens die ene Van Gogh te leveren die de publiekstrekker moet zijn op een middelmatige expositie.”

Onder druk van het geld is ook het bruikleenverkeer binnen Nederland aan het veranderen. Vroeger leenden de meeste musea binnen Nederland zonder problemen aan elkaar uit wat ze nodig hebben - als er al een kink in de kabel kwam was dat de onevenredig hoge verzekeringspremies die voor kunst worden gevraagd. De verzekeringskosten voor het lenen van een Van Gogh bedragen bijvoorbeeld een promille van de waarde, wat betekent dat het Stedelijk Museum al snel acht- tot tienduizend gulden kwijt was om een Van Gogh de straat te laten oversteken.

Steeds meer musea proberen door allerlei constructies de kosten voor onderling bruikleenverkeer, zoals verzekering en transport, te drukken, en er soms zelfs een bescheiden winst op te maken. Zo is het Eindhovense Van Abbemuseum onder collega's berucht om de verzekering die in geval van bruikleen verplicht bij het Van Abbe moet worden afgesloten - een constructie die de bruikleennemers meer kost dan normaal en het Van Abbe zelf een lagere premie oplevert.

Een andere manier om indirect geld aan bruiklenen te verdienen is door de bruiklener een restauratie te laten betalen. Museum Boijmans Van Beuningen vroeg bijvoorbeeld voor de tentoonstelling Lof der Zeevaart, die op 21 december opengaat, van het Rijksmuseum de Slag bij Livorno van Reinier Zeeman te leen. Het Rijksmuseum stemde daarin toe, maar wilde, omdat het eigen restauratieatelier het te druk had, dat het Boijmans de opknapbeurt die het schilderij nodig had voor haar rekening zou nemen. Totale kosten: 10.000 gulden.

Collectie Nederland

Dit gehandel is strijdig met het idee van de Collectie Nederland, de gedachte dat alle museale collecties in Nederland eigenlijk onderdeel zijn van een grote collectie, waaruit alle musea vrijelijk moeten kunnen putten. Dit uitgangspunt, in 1990 gelanceerd door minister d'Ancona, wordt tegenwoordig bewaakt door de Mondriaanstichting, die zijn subsidies onder meer koppelt aan de voorwaarde dat musea elkaar geen geld voor bruiklenen vragen, maar dit lijkt steeds moeilijker vol te houden.

“De Nederlandse museumwereld wordt steeds grimmiger”, zegt Rudi Fuchs. “Het is duidelijk dat alle musea steeds meer op hun geld gaan letten. Het Stedelijk Museum is altijd tamelijk genereus geweest waar het bruiklenen betreft. Als het even kan kunnen collega's krijgen wat ze willen, en daarvoor vragen we hoogstens een kleine tegemoetkoming in de kosten. Maar zo langzamerhand heb ik geen zin meer om de lamme goedzak te blijven uithangen; ik merk ook wel dat steeds meer musea geld willen verdienen aan het uitlenen. Dat kunnen ze best doen, maar dat betekent wel dat ik voortaan eenzelfde bedrag ga terugvragen als ze iets van ons willen.”

Het door Fuchs aangeroerde uitgangspunt 'als ze mij geld vragen, vraag ik dat terug' begint door steeds meer musea gehanteerd te worden, wat tot een kostenspiraal leidt die moeilijk te keren is. De musea die daar het meeste last van zullen krijgen zijn de kleinere, die weinig geld hebben en weinig 'ruilobjecten', en dus voor grote musea geen aantrekkelijke partners zijn. Maar ook instellingen zonder eigen collectie als de Kunsthal in Rotterdam en de Nieuwe Kerk in Amsterdam, krijgen het lastig.

“Voor de kerst wilden wij een jaar geleden iets extra's doen”, zegt Wim van Krimpen, directeur van de Kunsthal en bestuurslid van de Mondriaanstichting. “In het Tropenmuseum liep in de zomer een tentoonstelling met poppen van over de hele wereld, een mooie tentoonstelling voor kinderen, waar wij enthousiast over waren. De poppen die daar te zien waren, kwam voor een groot deel uit de eigen collectie, dus vroegen wij het Tropenmuseum of wij ze niet konden lenen - anders stond dat werk toch maar in kisten in de kelder. Een maand later kregen we een brief waarin stond dat ze 60.000 gulden wilden hebben voor het lenen van die werken - exclusief alle kosten, die zeer hoog waren. Ik sloeg er steil van achterover. We hebben nog even gebeld of dat geen typefout was, maar nee, ze hadden gehoord dat in het buitenland ook zulke bedragen worden gevraagd. Zet ons cultuurbezit maar weer in de kelder, dacht ik toen.”

Meer musea in Nederland zijn op een zelfde idee gekomen - Collectie Nederland of niet. Rudi Fuchs: “De Kunsthal in Rotterdam schuimt museale collecties af om daar vervolgens zelf geld mee te verdienen. Zo'n Pop-art tentoonstelling bijvoorbeeld, die ze twee jaar geleden inrichtten: daarvan was veel van ons, want wij zijn, samen met het Boijmans, het enige museum in Nederland met een serieuze Pop-artcollectie. Lenen wij het uit, dan zijn wij die werken kwijt en worden ze in ons museum gemist: daarover komen mensen zich beklagen. Op zo'n moment moeten we overwegen om een verdeelsleutel te maken van de winst die zo'n tentoonstelling oplevert. Als vijftig procent van de tentoonstelling bijvoorbeeld van ons is, krijgen wij ook vijftig procent van de winst, zoiets.”

Wim van Krimpen: “Fuchs weet heel goed dat met tentoonstellingen over moderne kunst geen geld wordt verdiend, integendeel. Daarom heeft hij voor die Pop-art tentoonstelling alles heel royaal ter beschikking gesteld. Maar er is nog hoop: met Hans Locher van het Haags Gemeentemuseum hebben we een overeenkomst gesloten dat we grote delen uit zijn collectie tonen als het Haags is gesloten; daar betalen we uitsluitend de werkelijke kosten voor. Maar dat neemt niet weg dat een regeling voor bruikleenverkeer binnen Nederland dringend is gewenst; misschien kan de Mondriaanstichting daarin het voortouw nemen. En er moet snel een collectieve verzekering komen voor het bruikleenverkeer binnen Nederland, want die kosten lopen de spuigaten uit.”

Zelf begint Fuchs alweer terug te komen van zijn bruikleengaves. “Onze Cobra-collectie is het afgelopen jaar een paar keer op reis geweest door Europa”, zegt hij. “Daar kregen we een schijntje voor, zo'n 25.000 gulden per tentoonstelling - net genoeg om onze kosten te dekken. Nu Cobra steeds populairder wordt, krijg ik steeds meer aanvragen; en het het uitbaten van zo'n collectie zou een goed manier kunnen zijn om iets bij te verdienen. Maar we hebben besloten dat niet te doen. Ik vind dat we ons maar eens moeten realiseren hoeveel het kan opleveren als mensen hier naartoe moeten om Cobra te bekijken. En je kunt zo'n collectie ook in je eigen museum uitbaten, door produkten te maken die aan het werk gerelateerd zijn. Dan bedoel ik geen Corneille-balpen, maar hoogwaardige produkten, van ontwerpers op het allerhoogste niveau. In het Palazzo Grassi in Venetië hebben ze bijvoorbeeld prachtige kunststropdassen van Armani. Zoiets moeten wij ook gaan doen, en dan hoeft onze Cobra-collectie de deur niet uit.”