Bekentenissen van Jean-Jacques Rousseau; De wonderlijke diepten van een schrijvershart

Jean-Jacques Rousseau is een van de meest invloedrijke achttiende-eeuwse filosofen. Zijn verlangen om zich van de wereld af te wenden, domineert nog steeds het romantische én rationalistische mensbeeld. Dat lijkt een contradictie. Maar in Rousseau's 'Bekentenissen', nu voor het eerst integraal in het Nederlands vertaald, wordt reeds zichtbaar hoe die tegenstrijdigheid uit de sfeer van de Verlichting zelf is ontstaan.

Jean-Jacques Rousseau. Bekentenissen. Vertaald uit het Frans en bezorgd door Leo van Maris. De Arbeiderspers, 765 blz. ƒ 99,-

'Bekentenissen' van Rousseau is vanaf 19 november verkrijgbaar in de boekhandel.

In 1764 brengt James Boswell, onsterfelijk geworden als de biograaf van dr. Johnson, een bezoek aan Jean-Jacques Rousseau. Om meer indruk te maken, besluit hij niet zijn officiële introductiebrief te gebruiken. 'Mijn romantisch genie, dat nooit zal uitdoven, fluisterde mij in om mijn eigen verdienste aan het strengste oordeel bloot te stellen'. Daarom schrijft Boswell zelf een brief, een 'Master-Piece' zoals hij niet nalaat te vermelden, waarin hij plechtig verklaart in het bezit te zijn van zowel een 'hart' als een 'ziel'.

Het onderhoud dat vervolgens plaatsheeft, ontpopt zich als een komische dialoog voor twee zonderlingen die volledig aan elkaar gewaagd blijken te zijn. Boswell vraagt Rousseau onder meer of hij zich als een christen beschouwt (het antwoord is: ja), of het hem mogelijk lijkt dertig vrouwen te bezitten (Rousseau meent van niet), en ook komt de belangrijkste vraag aan de orde: of de bezoeker die hij nu in levende lijve voor zich ziet beantwoordt aan het zelfportret in de brief. Ditmaal houdt Rousseau een slag om de arm en zegt, in Boswells Engels: 'Sir, it is too early for me to judge. But all appearances are in your favour'. Voor Boswell is het meer dan genoeg; na nog enkele ontmoetingen neemt hij afscheid met de woorden: 'You have shown me great goodness, but I deserved it'.

Gesterkt zal Boswell zijn reis hebben voortgezet, goedgekeurd door de 'Grote Rechter van de Menselijke Natuur', zoals hij Rousseau in zijn verslag van hun gesprekken ergens noemt.

De benaming is typerend voor het prestige dat Rousseau (1712-1778) destijds genoot. Vooral met zijn literaire bestseller Julie ou la Nouvelle Héloïse (1761) had hij de harten van zijn tijdgenoten weten te raken. Overal in Europa stroomden bij de lezers de tranen over de wangen en men liet niet na de auteur daarvan in kennis te stellen. Een specialist in hartszaken werd hij, want wie zo gepassioneerd over de liefde kon schrijven moest ongetwijfeld ook zelf over een veelbewogen gevoelsleven beschikken.

Pas na Rousseau's dood konden zijn lezers hun gelijk vaststellen, toen in 1782 en 1789 de beide delen van zijn Confessions verschenen. Voor het eerst zijn deze Bekentenissen nu integraal in het Nederlands vertaald, nadat eerder - aan het begin van deze eeuw - een selectie was verschenen in de Wereldbibliotheek. Van Rousseau's hooggestemde proza heeft Leo van Maris (die eerder diens Rêveries d'un promeneur solitaire vertaalde) helder en toegankelijk Nederlands gemaakt, dat iedereen in de gelegenheid stelt af te dalen naar de wonderlijke diepten van dit schrijvershart.

'Ik ben niet gemaakt als enig ander mens die ik heb ontmoet. Ik durf zelfs te geloven dat ik niet gemaakt ben als enig ander mens ter wereld', schrijft Rousseau op de eerste bladzijde, aldus zijn eigen uniciteit onderstrepend. Niet anders ziet hij zijn autobiografische inspanning: 'Ik ga iets ondernemen dat nooit eerder is gedaan en dat, als het eenmaal is uitgevoerd, niet zal worden nagevolgd. Ik wil aan mijn medemensen een mens laten zien zoals hij werkelijk is en die mens, dat ben ik zelf'.

Dat liegt er niet om. Rousseau pretendeert met een totale openhartigheid zijn eigen innerlijk bloot te leggen. Niets zal verborgen blijven, niets wordt vergoelijkt, alles zal worden getoond. Pas daarna kan men over hem oordelen, maar de uitkomst staat eigenlijk al bij voorbaat vast, want Rousseau lijkt niet serieus te geloven dat iemand na zijn boek te hebben gelezen nog zal kunnen zeggen: 'Ik was beter dan deze mens'.

Op de laatste bladzijde van de Confessions wordt dat bevestigd. Daar luidt de conclusie dat wie hem een slecht mens zou vinden 'zelf niet waard (is) verder te leven'. Het gezelschap waaraan hij zijn bekentenissen heeft voorgelezen bewaart een veelzeggend stilzwijgen. Niemand durft hem kennelijk een 'slecht mens' te noemen. Maar het zwijgen van zijn gehoor past ook bij het isolement, waarin hij als uniek mens is terechtgekomen. En waarin hij weldra ook terecht wil komen.

Deïsme

Toen James Boswell Rousseau in 1764 opzocht was hij niet de enige. Enkele jaren daarvoor had de schrijver van Emile Frankrijk moeten verlaten, nadat de in dit pedagogisch tractaat opgenomen deïstische geloofsbelijdenis van de 'vicaire savoyard' de toorn van kerk en overheid had gewekt. In de achttiende eeuw was het niet verstandig zoveel religieuze vrijmoedigheid onder eigen naam te publiceren. Ook in Genève, Rousseau's geboorteplaats, werd Emile (evenals het kort daarop gepubliceerde Contrat social) verboden. Tijdelijk onderdak vond de vervolgde filosoof in het onder Pruisisch gezag staande graafschap Neuchâtel, waar tal van bezoekers hem kwamen bezichtigen - op een enkele uitzondering als Boswell na, niet tot Rousseau's genoegen.

Liefst had hij zich van de wereld afgewend, om zich nog uitsluitend aan de natuur te wijden, schrijft hij aan het slot van zijn Confessions. Maar die gelegenheid werd hem niet geboden. Pas in zijn laatste geschrift, de Rêveries d'un promeneur solitaire, worden alle banden met de buitenwereld doorgesneden. In de autobiografie probeert hij nog altijd zichzelf te rechtvaardigen, als het onschuldige slachtoffer van een 'duivels' complot, gesmeed door philosophes en jezuieten die elkaar hadden gevonden met slechts één doel voor ogen: hem, Jean-Jacques, het leven onmogelijk te maken.

Zelf staat hij volkomen alleen: zijn uniciteit is zijn noodlot. Tegelijkertijd blijkt uit de Confessions dat het noodlot hem zo uniek heeft gemaakt. Verbeten zoekt hij in zijn verleden naar de momenten die hem hebben bepaald. Het pak slaag van zijn stiefmoeder, dat hem als kind een masochistisch genot oplevert, is naar eigen zeggen beslissend 'voor mijn neigingen, mijn hartstochten, voor mijzelf...' De eerste ervaring van onrecht, wanneer hij ervan beschuldigd wordt een kam te hebben gebroken en niemand zich van zijn onschuld laat overtuigen, maakt hem voorgoed gevoelig voor alle onrecht in de wereld. Op dezelfde manier onthult zijn kortstondige carrière als lakei in Turijn hem 'dat kwaadaardige spel van verborgen belangen (...) dat me mijn leven lang heeft gedwarsboomd en dat me een heel natuurlijke afkeer heeft bezorgd van de schijnbare orde waarin die belangen ontstaan'.

Maar het is niet alleen de buitenwereld die hem het leven bemoeilijkt. Zelf doet hij dat evengoed, bijvoorbeeld wanneer hij een dienstmeisje valselijk beschuldigt van een diefstal die hij zelf heeft gepleegd. Ook zichzelf kan hij niet volledig vertrouwen. Het meest opvallend zijn dan ook de tegenstrijdigheden die Rousseau ontdekt in 'dat zowel trotse als tedere hart, dat weke maar toch ook ontembare karakter', en die de lectuur van zijn Confessions zo fascinerend maken. Hij wil wel een man uit één stuk zijn, maar verbergt geen moment dat hij dat niet is.

Geregeld bedenkt hij ook wat er zou zijn gebeurd als hij zich anders had gedragen. Steeds blijkt dan de tantaliserende nabijheid van een mogelijk ander leven, simpel, harmonieus, onaanzienlijk, zonder alle ellende die hij zich nu op de hals heeft gehaald. Het had gekund, als hij zich niet door zijn hartstochten en ambities had laten meeslepen. Het geluk bestaat en soms wordt het hem ook een tijdlang deelachtig, zoals in zijn incestueuze relatie met madame de Warens ('Maman'), maar nooit is het duurzaam. Elk paradijs verandert op zeker moment in een verloren paradijs, waarop de oudere schrijver van de Confessions, zoekend naar vertroosting, slechts weemoedig kan terugkijken.

Wat zich hier in het persoonlijke leven aftekent, herhaalt zich in Rousseau's visie op de mensheid en haar geschiedenis. Tussen het persoonlijke en het algemene bestaat geen wezenlijk verschil. Ook in de geschiedenis is iets grondig misgegaan, zoals Rousseau uiteenzet in de beide Discours uit 1750 en 1753, die hem zijn eerste literaire en filosofische roem hebben bezorgd. Net als hijzelf heeft de mensheid het natuurlijke paradijs verlaten om zich in het fatale avontuur van de beschaving te storten, zonder ooit naar het verloren geluk te kunnen terugkeren. Want Rousseau mag zich dan tegen de Vooruitgang keren (de bloei van wetenschap en letteren hebben niet beoogde morele verbetering gebracht, luidt zijn stelling), hij gelooft wèl in de onomkeerbaarheid van de geschiedenis.

Vooruitgang

Vaak wordt zijn breuk met de Verlichting toegeschreven aan dit wantrouwen jegens de Vooruitgang. Maar de zaak ligt gecompliceerder, want de meeste philosophes met wie Rousseau het aan de stok krijgt geloofden evenmin in een probleemloze Vooruitgang. Wanneer Voltaire in een gedicht over de aardbeving te Lissabon (1755) zijn pessimisme uitspreekt, is het juist Rousseau die de goedheid van de Voorzienigheid verdedigt. Met het argument dat alle kwaad in de wereld uitsluitend aan de mens dient te worden geweten, terwijl hij desondanks blijft vasthouden aan een oorspronkelijke menselijke goedheid. Met deze paradox konden de praktisch ingestelde encyclopedisten minder makkelijk uit de voeten.

Toch zou ook dat vermoedelijk niet tot een breuk hebben geleid, als niet allerlei persoonlijke en amoureuze verwikkelingen (waarover in de Confessions uitvoerig wordt bericht) de verhoudingen hadden verstoord. Daarbij komt dat Rousseau, juist op een moment dat de Encyclopédie van overheidswege onder vuur lag, zijn kritiek op Diderot en de zijnen publiek heeft gemaakt. Met name zijn Lettre à d'Alembert (1758), tegen het pleidooi van de encyclopedist om in Genève een theater te vestigen, werd als een dolkstoot in de rug gevoeld.

Naast woede over dit evidente gebrek aan loyaliteit jegens zijn vrienden (Rousseau had tenslotte zelf ook diverse artikelen voor de Encyclopédie geschreven), heeft irritatie meegespeeld over het besluit om voortaan zijn gedrag in alles aan te passen aan zijn beginselen. Wat Rousseau in de Confessions zijn 'hervorming' noemt, komt neer op een ostentatieve afwijzing van de Parijse monde en haar letterlievende salons, waarin hij zich als man van eenvoudige komaf nooit erg op zijn gemak had gevoeld, in tegenstelling tot de meeste andere philosophes. Hij verlaat Parijs, zweert zijn grootsteedse kleding af en gaat in een tuinhuisje wonen, dat hem door zijn vriendin madame d'Epinay ter beschikking wordt gesteld.

Voor Diderot, Grimm en Voltaire was dit vooral theater; Rousseau zelf beschrijft zijn 'hervorming' in de Confessions als een vorm van sublieme zelfverheffing. 'Tot dan toe was ik goed geweest, van toen af werd ik deugdzaam, of althans door de deugd bedwelmd. Die bedwelming was in mijn hoofd begonnen, maar overgeslagen naar mijn hart. Op de resten van mijn uitgeroeide ijdelheid ontkiemde daar de meest nobele trots. (...) Daaruit kwam mijn plotselinge welsprekendheid voort, van daaruit verspreidde zich in mijn boeken dat waarlijk hemelse vuur dat mij verzengde. (...) Stoutmoedig, trots en onverschrokken, droeg ik overal een zelfvertrouwen mee dat des te krachtiger was omdat er eenvoud uit sprak en het meer in mijn geest lag dan in mijn houding'.

Zijn vrienden moeten dit vertoon van anti-wereldse onthechting en profetische allure onuitstaanbaar hebben gevonden, temeer daar het succes opleverde - nog wel met een roman. Want in weerwil van zijn verkettering van de letteren werd Julie ou la Nouvelle Héloïse het eerste boek dat de 'hervorming' hem opleverde. Zelf was Rousseau zich eveneens bewust van de contradictie, maar hij redde zich eruit door te betogen dat in een eenmaal gecorrumpeerde wereld (anders dan in het nog onbedorven Genève) de literatuur nuttige diensten kon bewijzen bij het beteugelen van verdere ontaarding.

Zonder het met zoveel woorden te zeggen, geeft Rousseau dus toe dat hij zelf ook is gecorrumpeerd. De zuiverheid en de onschuld (die bij nader inzien ook in Genève niet bleken te bestaan) zijn voorgoed onbereikbaar geworden. Rousseau's uiteindelijke reactie kreeg de vorm van zijn Confessions, waarin weliswaar niet de verloren onschuld wordt herwonnen maar waarin althans alle tegenstrijdigheden openlijk worden getoond. Behalve een zelfrechtvaardiging, zou men daarin ook een voorbeeldige demonstratie kunnen zien van het politieke heil dat Rousseau van een totale openhartigheid verwachtte.

In zijn autobiografie biedt hij zich aan als de burger zonder geheimen, onontbeerlijk ter verwezenlijking van de ideale staat die hij had geschetst in zijn utopie Du Contrat social, de enig mogelijke tegenhanger van het verloren paradijs. Ook in zijn grote roman wordt de niet minder utopische mini-samenleving van Julie, Wolmar en Saint-Preux volgens dit beginsel ingericht. De moraal van het idyllische huishouden te Clarens aan het meer van Genève luidt immers: 'Doe noch zeg ooit iets waarvan je niet wilt dat iedereen het ziet of hoort'. Men hoeft niet eens zo geweldig wantrouwend te zijn om achter deze moraal de mogelijkheid te vermoeden van een totalitaire terreur, waarin voor geen enkele privacy ruimte zal bestaan.

Zo heeft Rousseau het zelf uiteraard niet bedoeld. Wie nu zijn Confessions leest, kan daarom alleen maar dankbaar zijn voor de openhartigheid die daarin wordt betracht. Geen ander contemporain boek geeft zo'n onthullend beeld van de innerlijke roerselen uit de eeuw van de Verlichting. Niemand, of het moest de door Rousseau zeer bewonderde Montaigne zijn, heeft zo onbeschroomd geschreven over zijn - ook seksuele - eigenaardigheden en contradicties. Dat we dit nu zozeer kunnen waarderen, werpt echter wel een paradoxaal licht op de pretentie van uniciteit waarmee Rousseau zijn onthullingen gepaard liet gaan.

De paradox zit hierin dat Rousseau achteraf niet zozeer uniek blijkt te zijn geweest, als wel symptomatisch voor een moderniteit die zich in de achttiende eeuw nog aankondigde. In zijn eigen tijd was hij inderdaad uniek, als succesvolle social climber die zich niet aan het heersende establishment conformeerde maar zich daar juist tegen teweer stelde. In zijn werk en persoon wordt zichtbaar, dank zij al die tegenstrijdigheden, hoe het latere romantische verzet tegen de Verlichting uit de sfeer van de Verlichting zelf heeft kunnen ontstaan.

Het Unbehagen in der Kultur vindt bij Rousseau zijn eerste zeer persoonlijke, zeer gekwelde formulering. Als de schaduw van de Vooruitgang, de andere zijde van dezelfde medaille, staat het sindsdien op de moderne agenda, verbreid via de roem die postuum aan het verkozen isolement een eind zou maken. Maar dat was minder te danken aan Rousseau dan aan een zelfgenoegzame 'romanticus' als James Boswell en - vooral - aan diens talloze geestverwanten, die zich massaal en met tranen in de ogen hebben vereenzelvigd met dit unieke levenslot.

    • Arnold Heumakers