Vrouwelijke zelfironie

Stel u voor: twee dames van middelbare leeftijd, beiden zeer verzorgd gekleed en gekapt, de een hoogleraar aan een universiteit en de ander docent aan een hogeschool, die voor een publiek van studenten en docenten het volgende stukje voorlezen uit De kleine pligten van Margaretha Jacoba de Neufville (1824), ieder twee van de vier stemmen voor haar rekening nemend:

Mevr. D.: “Emilia, is het thans een geschikt weder om naar Zee te gaan?”

Emilia: “Mij dunkt ja, het is warm en heldere zonneschijn.”

Mevr. D.: “Juist daarom is het geen goed weder, niets is zo schadelijk voor het vel dan de schittering van de zon op het water.”

Emilia: “O, als wij wat verbranden dan wassen wij ons maar met karnemelk en het gaat over.”

De heer D.: “Zo mag ik het horen, ik wil mijn oude element, de zee eens weer zien, en nu malen de dames van verbranden, van verwaaien - wat weet ik het!”

Mevr. M.: “Ja broeder, het verwaaien is geen gering artikel! - mijn nieuwe hoed kan niet tegen wind, noch tegen storm.”

Hij: “Wat doet gij dan met zulk een vod?”

Mevr. M.: “Vod! Hij heeft mij 35 gulden gekost en is een model dat Madame Boulet van de laatste promenade de Longchamp heeft mede gebracht!”

Mevr. D.: “Buiten dat alles, ik ben aan het lezen van l'Italien, van mevrouw Radclife, een zee noch land kan bij mij opwegen tegen het belang van dat boek!”

De heer D.: “O hemel! In het rollen van een golf, in het beschouwen van een handvol schelpen, is meer schoons dan in al de bladzijden van zulk een fabelachtig geschrift.”

Mevr. D.: “Ja, ik weet het, mijne studiën moeten gelakt en gedwarsboomd worden, dat is zo de manier.”

De heer D.: “Studiën komen nooit zeer voor een vrouw te pas; maar het lezen van zulke snorrepijpen is voor ieder redelijk mens dien naam onwaard!”

Mevr. D.: “Dus mijnheer ben ik in uw oog geen redelijk mens!”

Zeker, het stukje zelf is al grappig genoeg - 'kluchtig', laat De Neufville Emilia zeggen - maar de manier waarop het werd voorgedragen maakte het tot een uitgelezen voorbeeld van humor. Door het respect waarmee de zelf aan hun lezen en studiën verslaafde vrouwen de tekst recht deden, hun evident begrip voor de conventies inzake modeverschijnselen en aangaande passend 'vrouwelijk' gedrag, contrasteerden de normen van het begin van de negentiende eeuw met die van de late twintigste, waardoor die betrekkelijk werden en aan het geheel de milde bijsmaak van zelfironie werd toegevoegd.

Als deze tekst door twee mannen was voorgelezen, had het niet meer dan een farce kunnen worden. Daar kwam nog bij dat dit toneelstukje plaatshad tijdens een serieuze wetenschappelijke lezing: ook de eigen didactiek werd ironisch becommentarieerd.

De ongetrouwde en geleerde Neufville zelf moet zich ook van enige ironie bewust zijn geweest. Weliswaar hamert zij in haar brave roman voortdurend op De kleine pligten die het leven van de vrouw moeten vervullen, maar deze passage is toch niet geheel van strijdbaarheid gespeend: waarom anders noemt Mijnheer D. een hoed een vod, een boek een snorrepijp, en komt studie voor een vrouw niet te pas? Bovendien, juist haar gedurige vermaningen geven aan dat vrouwen ook toen al niet voor de vrouwenrol werden geboren en dat Neufville dat wist. Al in 1977 constateerde Doeschka Meijsing (Revisor), dat men zelfironie vaker aantreft bij schrijvende vrouwen dan bij hun mannelijke collega's.

Als humor de volmaakte verbintenis mag heten tussen verstand en gevoel, is zelfironie de moeder van alle humor. Humor veronderstelt al sinds Freud een dubbele blik: bij zelfironie is die dubbele blik, met afstand en sympathie, met vergevensgezinde kritiek, gericht op jezelf. Echte zelfkennis legt altijd een glimlach op de lippen. Wie niet om zichzelf kan lachen, kan ook niet om een ander lachen en daarom is leedvermaak - Banana Split en home-video's waarin peuters op hun gezichtjes vallen - absoluut geen humor!