Voorkoming misbruik kinderen vereist toets sollicitanten

Preventie is dé witte plek in de jongste regeringsnota over seksueel misbruik van kinderen, vindt Th.G.L. Knippenberg. Alle instellingen waar kinderen aan volwassenen worden toevertrouwd zouden van sollicitanten een verklaring omtrent gedrag moeten vragen.

Met instemming heb ik de notitie gelezen die minister Sorgdrager aan de Tweede Kamer heeft aangeboden over de bestrijding van seksueel geweld en seksueel misbruik van kinderen. Vrijwel alle aanbevelingen uit het ChildRight rapport 'Het Kind van de Rekening', dat ik anderhalf jaar geleden mee heb samengesteld, zijn of worden nu uitgevoerd.

Een korte greep: de straffen op het maken en distribueren van kinderporno zijn verzwaard. Ook wordt nu overwogen het bezit van kinderporno strafbaar te stellen. Het 'klachtrecht' van 12- tot 14-jarigen staat ter discussie. Bestaande expertise bij de jeugd- en zedenpolitie wordt erkend, blijft bewaard en waar mogelijk uitgebreid. En vervolging van ontuchtplegers zowel als van 'aanbieders van kinderen' heeft een veel grotere prioriteit gekregen, net als samenwerking met andere landen omdat seksueel misbruik van kinderen niet bij de landsgrenzen stopt. Niettemin vertoont de beleidsnotitie een aantal witte plekken die ik hieronder op persoonlijke titel van kanttekeningen zal voorzien.

Er bestaat nog steeds onduidelijkheid rond de (on) rechtmatigheid van het opslaan van bepaalde gegevens in databanken en het gebrek aan coördinatie in het centraal registreren van informatie die beschikbaar is bij de elf politiedistricten. Ook bij de politie zelf wordt dit ervaren als een struikelblok bij het bestrijden van seksueel misbruik van kinderen.

Hoewel het woord veel wordt genoemd in de notitie, vormt ook preventie een witte plek. De facto zijn vrijwel alle genomen en voorgestelde maatregelen gericht op de dader. Daarvan zal, zoals mevrouw Sorgdrager stelt, ongetwijfeld een preventief signaal uitgaan. Dat neemt niet weg dat haar beleid zich vooral richt op bestraffing (c.q. behandeling, begeleiding en controle) achteraf. Iedere keer dat deze maatregelen worden uitgevoerd, zijn toch weer één of meerdere kinderen het slachtoffer geworden. De belangrijkste vraag is dan ook die van de primaire preventie: wat kunnen we nog meer doen om onze kinderen vooraf beter te beschermen tegen seksueel misbruik door volwassenen?

Een goed initiatief komt van staatssecretaris Netelenbos van Onderwijs die werkt aan een gedragscode voor het onderwijs. Haar voorbeeld zou zo snel mogelijk gevolgd moeten worden door haar collega-bewindslieden die verantwoordelijk zijn voor de kindergezondheidszorg, de jeugdzorg en voor allerlei instituties waar kinderen verkeren in een situatie van afhankelijkheid van volwassenen.

Maar zelfs met een gedragscode, hoe breed ook onderschreven, zijn we er nog niet. Bijzondere scholen, inrichtingen en al die andere instituties zijn nog steeds niet verplicht aangifte te doen van ontuchtgevallen met kinderen. En in de praktijk wordt vaak volstaan met ontslag van de dader, zonder aangifte. Daardoor kon onlangs een leraar, die wegens ontucht met leerlingen ontslagen werd, tot drie keer toe op een nieuwe school nieuwe slachtoffers maken. Net als een verpleger in achtereenvolgende inrichtingen voor gehandicapte kinderen. Nu wordt overwogen om alle scholen te verplichten ieder geval van ontucht met kinderen te melden. Het zou goed zijn om ook al die andere bovengenoemde instellingen bij zo'n meldplicht te betrekken.

Intussen hebben dezelfde scholen en instellingen geen richtlijnen, en zelfs nauwelijks mogelijkheden, om de antecedenten van solliciterende volwassenen te onderzoeken. Een belangrijk argument voor zo'n verplicht antecedentenonderzoek is dat seksueel misbruik van kinderen, in tegenstelling tot verreweg de meeste andere wetsovertredingen, zelden of nooit een 'incident' is. De kans op herhaling is erg groot, ook na heel lange tijd en tot op hoge leeftijd. Ter illustratie: enkele jaren geleden werd in Nederland een 82-jarige ontuchtpleger gearresteerd. Ter vergelijking: een vrouwenverkrachter stopt over het algemeen rond z'n 35e tot 40e levensjaar. Hij heeft dan in het extreemste geval enige tientallen vrouwen verkracht. Een onderzoek van de Emory University stelde vast dat 403 pedofielen samen meer dan 67.000 slachtoffers gemaakt hadden, een gemiddelde van 166 kinderen per dader.

Ik pleit er daarom voor dat alle instellingen waar kinderen aan volwassenen worden toevertrouwd wettelijk verplicht worden om bij iedere nieuwe sollicitant na te gaan of deze geen ontuchtverleden heeft, voordat hij of zij in dienst kan worden genomen. Op dit moment is zo'n antecedentenonderzoek wettelijk niet vereist en in de praktijk nauwelijks uitvoerbaar.

Natuurlijk mag er nooit een publiekelijk toegankelijke 'registratie van pedofielen' komen. Natuurlijk moeten we voorkomen dat iedere 'verdachte buurtbewoner' gekruisigd wordt. En ik ben het volledig eens met minister Sorgdrager en met de NVSH dat pedofielen nooit geregistreerd moeten worden uitsluitend om hun 'geaardheid'. Tegelijk moeten we zeker stellen dat die mensen waaraan wij onze kinderen toevertrouwen geen ontuchtverleden met zich meedragen met de genoemde grote kans op herhaling.

Uit het antecedentenonderzoek moet blijken of de sollicitant eerder door de rechter veroordeeld is wegens ontucht met kinderen en ook of er tegen de sollicitant een vooronderzoek loopt of anderszins ernstige vermoedens bestaan van het plegen van ontucht met kinderen. Die ernstige vermoedens moeten hebben geleid tot een proces-verbaal door de politie.

Bij deze beide criteria is een feitelijke 'registratie van pedofielen' niet nodig. Nodig is alleen dat alle lokale en regionale politieregistraties op een centrale plek toegankelijk zijn. En de vraag is hoe en voor wie die al bestaande informatie toegankelijk gemaakt kan worden voor antecedentenonderzoek.

Het voor de hand liggende mechanisme is de bestaande “verklaring omtrent gedrag”. Deze verklaring wordt aangevraagd bij en afgegeven door de burgemeester, na raadpleging van het landelijk strafregister en van de gegevens van de plaatselijke c.q. regionale politie. Tot enige jaren geleden had zelfs iedere school in Nederland nog de plicht om van elke sollicitant zo'n verklaring omtrent gedrag te vragen, maar volgens staatssecretaris Netelenbos is dat nu niet meer het geval.

Het huidige systeem van de 'verklaring' heeft twee nadelen, zeker waar het gaat om ontuchtzaken. Ten eerste beschikt de plaatselijke politie niet over processen-verbaal uit andere gemeenten of regio's. De eerder genoemde leraar had dus nog steeds een aanstelling op een school in een andere regio kunnen krijgen, zelfs als er wel aangifte gedaan was. Een landelijke registratie van de regionale processen-verbaal inzake ontuchtzaken is daarom nodig, om de 'verklaring omtrent gedrag' effectief te maken.

Het tweede nadeel is dat alleen de sollicitant zelf zo'n verklaring kan aanvragen. Alleen bij hoge uitzondering kan een instantie zo'n verklaring aanvragen, met speciale toestemming van de sollicitant en van de minister van Binnenlandse Zaken. Die toestemming is hoogst incidenteel verleend, en dan nog alleen aan de Nederlandse Spoorwegen.

Om fraude en vervalsing van zo'n betrekkelijk simpel maar voor sommigen erg begeerlijk document te voorkomen, lijkt het raadzaam om scholen en andere instituten het recht te verlenen tot het aanvragen en verkrijgen van een verklaring omtrent gedrag van sollicitanten. Uiteraard met toestemming van elke sollicitant zelf, of in gezamenlijkheid met hem of haar.

Mijn voorstellen komen daarmee in het kort op het volgende neer:

- Er komt een gedragscode voor alle sectoren en instellingen waarin kinderen afhankelijk zijn van volwassenen.

- Al deze instellingen worden verplicht aangifte te doen van ontucht met kinderen.

- Alle processen-verbaal betreffende ontucht met kinderen worden op een centrale plaats landelijk opgeslagen, maar zijn niet publiek toegankelijk, anders dan door toetsing voor een 'verklaring omtrent gedrag', die door de getoetste zelf mede wordt aangevraagd.

- Alle voornoemde instellingen worden verplicht een 'verklaring omtrent gedrag' op te vragen van iedereen die bij hen in dienst komt.

- Iedereen die solliciteert naar een functie, betaald of als vrijwilliger, waarin kinderen van hem of haar afhankelijk worden, stemt bij zijn sollicitatie in met een aanvraag van een 'verklaring omtrent gedrag' bij de burgemeester. Deze toetst de aanvraag aan het landelijk Strafregister en aan de centraal geregistreerde processen-verbaal van de politie. Als daar aanleiding toe is, wordt de verklaring niet afgegeven, zonder details over de redenen. De enige 'sanctie' is dat de sollicitant de baan niet krijgt en zal moeten omzien naar een andere baan, waarin hem of haar geen kinderen worden toevertrouwd. En waarvoor dus geen 'verklaring omtrent gedrag' nodig is.