Vier, vijf grappen per pagina

Een kwart eeuw geleden las ik Tortillas voor de Daltons voor het eerst; en nog steeds schiet ik erbij in de lach. Het 31ste Lucky Luke-verhaal, waarin de gebroeders Dalton gekidnapt worden door Mexicaanse bandieten, is een crescendo van running gags, subtiele taalgrappen en hilarische domheden - een equivalent in strip van televisieseries als Blackadder en Fawlty Towers.

Tortillas voor de Daltons is maar een van de vele hoogtepunten uit het oeuvre van René Goscinny, die vanaf de jaren zestig tot aan zijn dood in 1977 onder andere de scenario's schreef van Lucky Luke (tekeningen: Morris), Asterix (Uderzo) en Iznogoedh (Tabary). Goscinny's werk weigert te verouderen: het wordt telkens weer door nieuwe generaties striplezers ontdekt en blijft leuk voor iedereen die het las in de jaren dat het ontstond.

Dat laatste is uitzonderlijk. Hoe hard ik ook gelachen heb om de grappen van Paling en Ko of Suske en Wiske (De gramme huurling, Tedere Tronica) - twintig jaar later verbaas ik me erover hoe flauw ze zijn. Zelfs de woedeuitbarstingen van kapitein Haddock, de veelgeprezen comic relief in de altijd zo ernstige Kuifje-strips, roepen niet meer dan een glimlach op.

Als ik één te jong gestorven kunstenaar uit de dood mocht terughalen dan was het Goscinny, die niet alleen de verrassendste scenario's schreef, maar ook in staat was vier, vijf grappen per pagina te maken. In Asterix toonde de Argentijnse Fransman zich een meester in de woordspeling, de naamgrap en de visuele grap (Egyptenaren die praten in 'hiëroglyfen' uit de rode Michelingids). In Lucky Luke legde hij zich toe op slapstick en parodie (Freud in De genezing van de Daltons, John Ford in De postkoets). En in Iznogoedh ('ik wil kalief worden in plaats van de kalief') experimenteerde hij met de absurdistische en de erudiete humor waarmee enkele jaren later Monty Python groot zou worden.

Goscinny's kracht was het lange verhaal, van acht pagina's of meer. Het is ook de ideale vorm voor de komische strip, die het vooral moet hebben van het feest der herkenning. De meeste gag strips, waarin binnen een enkele pagina of zelfs een paar plaatjes een grap wordt verteld (Guust, Sigmund, Bert's brein op zaterdag), zijn bij tweede lezing heel wat minder leuk dan een willekeurige bladzijde Asterix.

Er is één uitzondering, één gag strip die in hilarisch effect kan wedijveren met het langere werk van Goscinny: Zwartkijken (Idées noires) van Franquin. In deze in subliem zwart-wit uitgevoerde ministrips toont de schepper van zorgeloze figuren als Guust en Robbedoes zich van zijn morbide kant. De ene na de andere sick joke passeert de revue, van kinderen die met behulp van bonsaitechnieken klein worden gehouden tot een stoelenfabrikant die door een van zijn eigen prototypes wordt gespietst. Moeilijk in woorden weer te geven en niet geschikt voor al te jonge lezertjes, maar wel een van de weinige niet-Goscinnystrips die hilarisch blijven voor iedereen van 9 tot 99.

    • Pieter Steinz