Verboden humor

Niet alle humor is toegestaan. Een 'foute' humorist kan zelfs in de gevangenis belanden. Wie de koningin beledigt, kan volgens artikel 111 van het Wetboek van Strafrecht maximaal vijf jaar zitten. Drie maanden staat voor eenvoudige belediging van een willekeurig persoon (art. 266).

Ook godslastering is strafbaar. Schrijver Gerard Reve hing een boete van honderd gulden boven het hoofd, toen hij in 1966 werd vervolgd omdat hij zich schriftelijk “door smalende godslasteringen op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze” zou hebben uitgelaten (art. 147 lid 1). De maximale straf hiervoor is drie maanden cel. Twee passages waren voor de officier van justitie aanleiding de volksschrijver te vervolgen:

“Als God zich opnieuw in de Levende Stof gevangen heeft, zal hij als Ezel terugkeren, (..) miskend en verguisd en geranseld, maar ik zal Hem begrijpen en meteen met Hem naar bed gaan, maar ik doe zwachtels om Zijn hoefjes, dat ik niet te veel schrammen krijg als Hij spartelt bij het klaarkomen.” (Uit: Dialoog, 1965 I)

“God Zelf zou bij mij langs komen in de gedaante van een éénjarige, muisgrijze ezel en voor de deur staan en aanbellen (..) en na een geweldige klauterpartij om de trap naar het slaapkamertje op te komen, zou ik Hem drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening bezitten (..).” (Uit: Nader tot U)

Uiteindelijk bekrachtigde de Hoge Raad op 2 april 1968 het vonnis van het gerechtshof, waarin Reve volledig werd vrijgesproken. Volgens het hof had hij niet de bedoeling “God te beschimpen of te honen.”

Een recenter voorbeeld van over de schreef gaande humor is een column van Theodor Holman in Het Parool van 2 juli 1994. “Nog steeds vind ik iedere christenhond een misdadiger”, schreef hij. Holman werd vrijgesproken van belediging van het christelijk volksdeel. Daarentegen werd columnist Theo van Gogh veroordeeld omdat hij zich volgens een arrest uit 1990 van de Hoge Raad beledigend had uitgelaten over joden.

Een beledigde partij kan ook in een kort geding genoegdoening eisen. Dat deed oud-minister van Verkeer en Waterstaat N. Kroes naar aanleiding van een spotprent in het Rotterdams Dagblad van 23 september 1995. Tekenaar Teo Gootjes had Kroes afgebeeld als een prostituee die zich verrijkt had door de malafide afvalverwerker TCR een opdracht te gunnen. Kroes eiste rectificatie. De president van de Rotterdamse rechtbank stelde haar in het ongelijk. De prent was weliswaar “onzorgvuldig jegens Kroes”, maar haar schade was al vergoed in de publiciteit rondom de kwestie.

In de jaren zestig werden nog 24 mensen wegens majesteitsschennis veroordeeld, maar sindsdien is het niet meer tot rechtszaken gekomen. Alleen een column van H. Brandt Corstius in 1978 leidde nog tot een onderzoek door justitie. De conference van Youp van 't Hek van afgelopen jaarwisseling leidde slechts tot veel commotie. Van 't Hek zei toen: “Misschien zijn we nog één keer te shockeren. Als je een keer door Amsterdam fietst en je ziet op de Dam (..) Willem-Alexander zijn eigen moeder bevredigen (..).”

Wellicht is humor het beste wapen tegen smaad. Hoogleraar Teun A. van Dijk had in 1992 ten onrechte Gerrit Komrij ervan beschuldigd de schrijver te zijn van het racistische pamflet De Ondergang van Nederland. Komrij diende een aanklacht in, maar het gerechtshof zag geen grond Van Dijk te vervolgen. Komrij was immers “mans genoeg met zoveel kletskoek zelf af te rekenen”, schreef hij in zijn column. Dat deed hij dan ook: “Zelfs in de alfa-wetenschappen lijkt het me aannemelijk dat men, om de eer van zowel een vak als de gehele faculteit te redden, een professor die denkt zijn persoonlijke reputatie omhoog te tillen door te bewijzen dat Vondel met 95 procent zekerheid het Oude Testament heeft geschreven, door de achterdeur zal afvoeren. Hooggeacht college van bestuur van de universiteit van Amsterdam! (..) staat u toe dat in uw midden en uit uw naam een fantast en een notoir drogredenaar aankomende generaties blijft verpesten en misvormen?”