Pronk ontwikkelt geweten in het buitenland

De ministers van het kabinet-Kok verdedigen hun begrotingen in de Tweede Kamer. Het kabinet is halverwege de rit. Vandaag: Minister Pronk (PvdA), een tussenbalans.

DEN HAAG, 14 NOV. 'Kom naar de briefing van Jan Pronk' staat op de blauwe uitnodiging die de PvdA een week geleden rondstuurde. 'Hij is net terug uit Afrika, waar hij betrokken was bij het zoeken naar oplossingen.'

Net terug uit Afrika is Pronk vaak. Zeven keer vorig jaar, toen hij op dat continent zestien landen bezocht. Dit jaar zes keer, met een bezoek aan tien landen. Minister Pronk (56) verblijft ongeveer om de week in het buitenland, waarmee hij een onbetwist record 'dagen weg' in het kabinet heeft gehaald. “Het is alsof hij zelf zijn tickets uitschrijft”, zegt een medewerker wat zurig. Gisterochtend keerde hij terug van een EU troïka-missie in Rwanda. Enkele uren later ging hij vermoeid maar monter naar de Kamer. Het is heel eenvoudig, meent de minister. Ontwikkelingshulp gedijt alleen als er geen oorlogssituatie is. Dus moet hij telkens op pad op zoek naar oplossingen. In veel gevallen blijft het bij een zoektocht. Het zijn uiteindelijk de strijdende partijen in Sudan, in Rwanda, in Burundi, in Oost-Zaïre, in Liberia, in Sierra Leone die de beslissing moeten nemen geweld te staken.

Het is de vraag of een door Pronk georganiseerd uitstapje naar Noordwijk om elkaar als strijdende partijen in een volstrekt andere omgeving weer eens te ontmoeten, werkelijk bijdraagt aan dat proces. Pronk is er vast van overtuigd dat zijn reizen en deze ontmoetingen aan de Noordzee wel degelijk een klimaat voor verzoening scheppen en herscheppen.

De minister beweegt zich daarbij op het pad van de minister van Buitenlandse Zaken. Maar in de ogen van Pronk moet dat ook, anders kan hij zijn 5,9 miljard gulden zuiver ontwikkelingsgeld niet verantwoord uitgeven. Al tijdens de pogingen om conflicten te beheersen moeten hulpinstrumenten worden gebruikt: snel werk geven aan ex-strijders, jeugdmilities ontbinden en naar school sturen, mijnen ruimen en de lokale economie op gang helpen. Media en lokale burgercomités moeten worden ingezet voor de noodzakelijke verbroedering na geweld.

De herijking van het beleid op het ministerie, waaraan dit voorjaar werd begonnen, legt een zwaarder economisch accent op de buitenlandse politiek. Daarvoor moesten de directies en landenbureaus van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking samengevoegd worden. Er kwamen thema-directies (waaronder een speciaal bureau voor mensenrechten) plus detachering van ambtenaren van Economische Zaken. Die herijking maakt het Pronk naar eigen zeggen mogelijk veel buitengaats te verkeren en 'instrumentaal te zijn bij vredesprocessen'.

Minister Van Mierlo, verantwoordelijk voor de buitenlandse politiek in zijn totaliteit, geeft hem ruim baan. Dit is de VVD en met name haar fractieleider Bolkestein, die ook veel twijfels heeft over de effectiviteit van de Nederlandse hulp, een doorn in het oog. Maar Pronk heeft in de Tweede Kamer weinig moeite om zijn begroting ook door de VVD goedgekeurd te krijgen en hoorde daar ook gisteravond weinig kritiek.

In zijn eigen partij maakt hij deel uit van 'het geweten' en is daar de lieveling van de linkervleugel. In het kabinet ligt het lastiger. De verhoudingen met zijn partijleider, minister-president Kok, zijn niet optimaal. Toen Pronk de politionele acties in Indonesië alsnog afkeurde beet Kok hem vorig jaar toe: “Jij hebt noch het verleden noch het geweten in je portefeuille.” Pronk is overigens minister zonder portefeuille.

Ging het vorig jaar nog om de kwaliteit van de hulp (na een paar vernietigende rapporten van de Inspectie van Buitenlandse Zaken), nu stelt minister Pronk de kwantiteit voorop. Maar wel hulp volgens een eigen speerpuntenprogramma: armoedebestrijding, verbetering van de positie van vrouwen, milieu. Sommige experts verwijten Pronk dat dit zware accent op Nederlandse keuzes in het veld neo-koloniaal overkomt.

Talrijke projecten of programma's werden opgehouden omdat ambassadepersoneel er met lange vragenlijsten op uit moest trekken door akkers en bosgronden om na te gaan of al die Nederlandse verlangens ook werkelijkheid konden worden. Nu zijn de procedures wat vereenvoudigd en krijgen ambassades zelf de mogelijkheid om kleinere projecten goed te keuren zonder ruggespraak met Den Haag.

Aan de stok heeft Pronk het nog wel met het bedrijfsleven. Dat gaf hem in een enquête een onvoldoende en noemde hem de slechtste minister. Pronk fulmineert: “Je kunt het oneens zijn met het beleid, maar daarom doet iemand het nog niet slecht.” Hij is van mening dat veel van zijn initiatieven onvoldoende worden opgepakt door het bedrijfsleven. Internationale afspraken verhinderen soms om een opdracht aan een Nederlands bedrijf te gunnen, is zijn verweer. Geeft een land als Spanje 60 procent van ontwikkelingshulp via het eigen bedrijfsleven, België 50 procent, Frankrijk 40 procent, Nederland is laatste in Europa met ongeveer 10 procent, houdt het bedrijfsleven hem voor.

Pronk wil niet terugkeren op Ontwikkelingssamenwerking na drie termijnen. Maar toen hij dat enkele maanden geleden meedeelde, liet zijn woordvoerder de dag daarop snel weten dat Pronk wel beschikbaar blijft voor een andere post in een nieuw kabinet. Dan wil hij het liefst minister van Buitenlandse Zaken worden en bij zijn trouwe staf kun je horen dat dat in ieder ander land geen gekke suggestie wordt gevonden, behalve in Nederland zelf.

In een interview met deze krant vorig jaar juli was hij vager over zijn toekomst: “Ik hoef niet meer te klimmen.[...] Ik kijk met zeer veel bewondering naar het type werk dat Owen en Stoltenberg deden (in voormalig Joegoslavië - red.). In het veld, continu aanwezig. Constant op het grensvlak van ontwikkeling, vrede, nood, conflict.”

    • Willebrord Nieuwenhuis