Patrouilles Israel en Palestijnen moeizaam hervat

In Jenin en Jericho op de Westelijke Jordaanoever zijn de gemeenschappelijke Israelisch-Palestijnse patrouilles, gestaakt na de botsingen van september, vorige week hervat. Maar vertrouwen ontbreekt nog.

JERICHO, 14 NOV. “Hallo Abu Kinesa, hoe gaat het?” De Israelische commandant Poli Mordechai stapt uit zijn jeep en gaat naast een Palestijnse soldaat onder een palmboom zitten. De Palestijn grinnikt. Abu Kinesa betekent in het Arabisch 'vader van de synagoge'. Zo noemt de Israeliër hem altijd gekscherend, omdat hij de hele dag even buiten Jericho in de schaduw van deze palm zit om een joodse synagoge te bewaken.

De jovialiteit van commandant Mordechai geeft goed weer hoe hij met de Palestijnen in de zogeheten Gezamenlijke Patrouille wil werken - de Israelisch-Palestijnse patrouille die in de autonome Palestijnse gebieden Israelische bezoekers en joodse heiligdommen moet beschermen.

Maar zelfs met koosnamen, grapjes en goede wil is de sfeer in die patrouilles niet meer wat ze tot voor kort was. In Gaza gingen Israelische en Palestijnse soldaten er na de bloedige onlusten van eind september vrijwel direct weer samen op uit. Maar in de meeste autonome Palestijnse steden op de Westelijke Jordaanoever, waar de patrouilles (anders dan in Gaza) dwars door Palestijnse woonwijken rijden, functioneren ze sindsdien helemaal niet meer. Alleen in Jenin en Jericho zijn ze vorige week hervat. “Het is moeilijk”, zegt Mordechai. “Twee jaar werk je met Palestijnen samen. Je eet samen, je vraagt naar elkaars kinderen. En ineens beginnen ze op je te schieten, in september. Je collega's! We moeten opnieuw leren ze te vertrouwen.”

Een geüniformeerde Palestijn op sloffen formuleert, trekkend aan zijn sigaret, het standaardantwoord van de andere kant: “Vertrouwen, vertrouwen. Ze hebben toch ook op ons geschoten? Aan onze kant zijn veel meer doden gevallen. In Jericho zelfs vier, tegen nul aan hun kant. Toch doen de Israeliërs er veel moeilijker over dan wij.”'Abu Kinesa' bewaakt de synagoge met een andere Palestijn en twee Israeliërs. “Als er iets gebeurt”, zegt hij, wijzend op twee Israeliërs uit een naburige kibbuts die het gebouwtje betreden, “proberen wij met z'n vieren te bemiddelen. Lukt dat niet, dan roepen we de Palestijnse politie om Palestijnen in te tomen en de Israelische om Israeliërs te kalmeren.”

Hoewel er zelden iets gebeurt in het slaperige Jericho, was het vorige week raak. Acht Israelische kolonisten die zich als Franse toeristen voordeden, begonnen tijdens de sabbat middenin restaurant 'De Zeven Bomen' pontificaal te bidden. De eigenaar belde de gemengde patrouille. Maar de kolonisten bleven bidden. Half Jericho liep schreeuwend voor de deur te hoop. Terwijl Palestijnse politie het volk onder controle hield, sleepte de Israelische politie de kolonisten naar haar bureau op de grens van de Autonomie.

Op hun ronde door het oasestadje gaan de Palestijnen voorop, in hun eigen gebutste jeep, getooid met een versleten oranje vlag. Ze grappen naar mannen die tussen hun fruitstalletjes zitten, gooien een sigaret naar een voorbijganger. De Israeliërs volgen. Hun oranje vlag en hun voertuig zijn van betere kwaliteit. Zij kijken star voor zich uit. Vroeger kwamen veel Israelische dagjesmensen naar Jericho. Op sabbat was er in de kebab-restaurants van deze oudste en laagste stad ter wereld geen vrij tafeltje te vinden. Hoewel zij Jericho sinds 'Oslo' gewoon in en uit kunnen rijden, kiezen zij liever een andere plek voor een dagje-uit. Israeliërs die vroeger door Jericho de Jordaanvallei inreden, nemen nu de nieuwe 'veilige' omweg door de bananenplantages. Tot afgrijzen van de Israeliërs op de patrouilles komen vooral potentieel 'problematische' kolonisten nog in Jericho.

De gemengde patrouilles zijn een compromis tussen de Israelische eis om Israeliërs in de autonome Palestijnse gebieden te beschermen en de Palestijnse weigering om Israelische soldaten er de vrije hand te geven. Maar omdat ze redelijk functioneerden, werden ze al gauw een symbool voor de vredesgedachte van 'Oslo' zelf - met name aan Israelische kant. Tot september waren er stromen Israelische dienstplichtigen die zich voor de patrouilles aanmeldden. Als ze dan toch in dienst moesten, wilden ze een rol spelen in het vredesproces. Soms volgden er veertig, vijftig tegelijk de speciaal opgezette stoomcursus - in de Arabische taal en zeden en in het Oslo-akkoord. Volgens een ingewijde zitten er sinds de schietpartijen nog maar vier soldaten in de klas. De rest, zegt hij, wil voor geen goud nog steden als Betlehem of Nablus in. “Als er een opstootje is, wie garandeert dan dat de Palestijnse soldaten van de patrouille hun Israelische collega's beschermen, en niet hun eigen volk? Zelfs mensen die met plezier in Ramallah hebben gewerkt, zeggen nu: 'Stuur mij maar naar Libanon, daar weet ik tenminste wie mijn vriend is en wie mijn vijand'.”

De Palestijnse soldaten zien de patrouilles diep in hun hart als teken van Israelisch wantrouwen: dat zij, Palestijnen, niet in staat zouden zijn om Israeliërs te beschermen. Sommige soldaten ventileren openlijk hun ergernis over de vele 'goedbedoelde' adviezen die de Israeliërs hun geven. De Palestijnen beschouwen de patrouilles als werk, iets wat nu eenmaal moet gebeuren, en zeker niet als missie. Daarom ook zijn zij nu minder ontgoocheld dan de Israeliërs. Tekenend is ook dat de Palestijnen geen spoedcursus Hebreeuws, joodse cultuur of 'Oslo' krijgen. Veel soldaten zijn in Arafats kielzog uit ballingschap gekomen, uit Jemen, Irak of Soedan, en spreken alleen Arabisch. “Zij”, zegt een jonge Palestijnse soldaat, en wijst door de open achterklep naar de Israelische jeep, “zij praten een beetje Arabisch. En verder maken we gebaren. Waar hebben we dan een cursus voor nodig?”