'Ook overheid aanpakken bij delicten'; C. Ficq over bestrijding milieucriminaliteit

AMSTERDAM, 14 NOV. De bestrijding van milieudelicten zit in de lift. Nadat het opsporen van milieumisdrijven jarenlang het stiefkindje van politie, justitie en het openbaar bestuur is geweest krijgt de aanpak ervan langzamerhand steeds meer prioriteit. “Er is nog veel te doen, maar het gaat goed”, zegt de Amsterdamse procureur-generaal C.R.L.R.M. Ficq, binnen het college van PG's portefeuillehouder milieu.

Uit de jongste cijfers van het openbaar ministerie blijkt dat het aantal milieuzaken dat justitie afdoet met een schikking of voor de rechter brengt sinds 1990 elk jaar is gestegen. In 1994 werden in 52 gevallen gevangenisstraffen en taakstraffen uitgedeeld door de rechter, in 1995 waren dat er plotseling 131. De gevangenisstraf bedroeg gemiddeld 297 dagen. “Dat zijn forse straffen”, concludeert Ficq in het Paleis van Justitie aan de Prinsengracht in Amsterdam.

Toch is hij niet tevreden. Het schort nogal eens aan de samenwerking tussen de drie partners die verantwoordelijk zijn voor de opsporing van milieu-overtredingen, waarbij een zeer belangrijke rol is weggelegd voor het openbaar bestuur, vooral de gemeenten, provincies. Dat bestuur, waar veruit de meeste kennis van milieuzaken aanwezig is, is primair verantwoordelijk voor de milieucontrole op bedrijven. Eén van de belangrijkste zaken is daarbij het verwijderen van afval. “Wil je iemand daadwerkelijk kunnen vervolgen”, zegt Ficq, “dan moet er beter worden samengewerkt.”

Het is altijd moeilijk gebleken zware milieucriminaliteit op te sporen, vooral omdat je afhankelijk bent van waarnemingen. Er raakt niets of niemand kwijt.

“We hebben begin dit jaar een inventarisatie gehouden bij de politiekorpsen, de CRI en de arrondissementsparketten om inzicht te krijgen in het aantal zwaardere milieu-onderzoeken. Toen bleek dat in Nederland zeventig onderzoeken liepen waaraan langer dan drie maanden werd gewerkt en waarbij korpsen moesten samenwerken. Dat was meer dan ik had verwacht.”

Hoe wilt u de samenwerking tussen politie, justitie en het openbaar bestuur verbeteren?

“Wij willen volgend jaar in alle politieregio's speciale handhavingsteams gaan oprichten met milieudeskundigen uit het bestuur en de politie. Daar worden de komende maanden gesprekken over gevoerd. Met die handhavingsteams hopen we de informatie over milieudelicten bij elkaar te brengen. Op dit moment blijkt dat het voor opsporingsambtenaren van gemeenten en provincies een hele grote stap is om informatie en deskundigheid uit te wisselen met de politie. En dat terwijl de primaire verantwoordelijkheid voor de milieucontrole op bedrijven bij het bestuur ligt. Dan kun je niet zonder elkaar. Die teams lijken een voor de hand liggende oplossing, maar het heeft lang geduurd voordat het is bedacht.”

Het grote struikelblok was altijd dat er te weinig deskundigheid was.

“Die fase zijn we voorbij. Veel politiemensen hebben een milieu-opleiding gehad, al kunnen ze nooit de ervaring van ambtenaren bij de gemeente krijgen.”

Uit de jaarcijfers van het openbaar ministerie blijkt dat opsporingsambtenaren van de Douane, Rijkswaterstaat, de gemeenten en de provincies nauwelijks meer processen-verbaal opmaken dan in 1994? Hoe verklaart u dat?

“Er zijn een aantal taken overgeheveld naar de provincies, zoals de handhaving van de Natuurbeschermingswet en de Boswet. Daar zijn duidelijk nog aanloopproblemen. Van de handhaving van deze groene wetten is nog niet zoveel terechtgekomen. Dat moet verbeteren. Het ministerie van Landbouw zal met initiatieven komen. Daar kijken we naar uit. Verder zie je op andere gebieden dat grote acties tegen milieu-overtredingen leiden tot gedragsverbetering. In Zeeland is vorig jaar een paar keer opgetreden tegen illegale bestrijdingsmiddelen, waarbij vijfduizend kilo aan middelen in beslag werd genomen. Bij een derde controle bleek dat er nauwelijks nog processen-verbaal hoefden te worden opgemaakt.”

De milieuwetgeving is lange tijd een grote smeltkroes geweest van regels en bepalingen, opgesteld door ministeries, provincies en gemeenten. Het bleek dat opsporingsambtenaren er nauwelijks mee uit de voeten konden, ook al omdat de wet vaak moeilijk uitvoerbaar was. Is dat verbeterd?

“Wij hebben recent een cursus georganiseerd voor wetgevers bij de rijksoverheid. Daarin werd hen geleerd hoe zij een dagvaarding moeten schrijven. Zij stellen aan de ene kant een verbodsbepaling op, maar hebben vaak geen idee van de uitwerking en de handhaving ervan. Er bestaat inmiddels een checklist van zaken waarmee zij rekening moeten houden bij het opstellen van regels om de uitvoerbaarheid te verbeteren.”

Het gerechtshof in Leeuwarden is deze week alsnog tot een veroordeling gekomen van een ambtenaar in de zaak van de slibstort in het Pikmeer. Daarmee is een persoon veroordeeld voor zijn handelen namens de gemeente Boarnsterhiem. Tot nu toe genoot de overheid immuniteit.

“In het arrest zie je dat het hof zich in allerlei juridische bochten heeft moeten wringen om tot een enigszins maatschappelijk aanvaardbare oplossing te komen. Het komt erop neer dat het hof het maatschappelijk onaanvaardbaar acht dat er niemand wordt gestraft voor het bewust storten van vervuild slib. Kennelijk worstelt de rechter daarmee.”

Vindt u het niet onbevredigend dat de rechter een ambtenaar persoonlijk moet aanspreken op een handeling die hij heeft verricht namens de overheid, terwijl in feite de overheid de fout heeft begaan?

“Ja. Het is niet goed dat je een natuurlijke persoon aansprakelijk moet stellen. Als je de consequentie doortrekt betekent het dat hij dat slib weer zou moeten laten verwijderen. Bij deze gemeente lag gewoon geld ten grondslag aan de overtreding. Het was te duur om het slib op een andere manier te verwijderen, dus donder het maar in het Pikmeer. Een overheid die zondigt tegen de milieuregels doet dat uit exact dezelfde motieven als een gewoon bedrijf. Dan dringt zich de vraag op of je de overheid niet op dezelfde voet aansprakelijk kan stellen als bedrijven of burgers. Met een ingewikkelde redenering komt het hof desalniettemin tot de conclusie dat wat is gebeurd dat niet aanvaardbaar is. Dus moet Barbertje hangen. Dan zeg ik: wees consequent en wijzig de wet. Dan kun je de bon neerleggen waar hij thuishoort, namelijk bij de overheid en niet bij de individuele ambtenaar. Ik zou het als officier niet over mijn hart kunnen verkrijgen om te zeggen: jij moet hangen. Híj krijgt een strafblad. Dat is strijdig met mijn rechtvaardigheidsgevoel. Ik vraag het college deze maand zich te beraden over een wijziging van het Wetboek van Strafrecht.”

    • Rob Schoof