Ondertoon van schuld

Humor is zoals alles in België: Breugheliaans, vlezig, lijflustig. De uitstap van een wandelende tiet met een tepel als een vleeshaak of van een fluorescerende piemel in een huis waar het licht is uitgevallen kan het koninkrijk doen daveren op zijn grondvesten, van de schater.

In België is de natie een lichaam. Referenties aan de natie als spiritueel gegeven hebben het volk nooit bereikt. En dus wordt er gelachen om de stierennek van

minister-president Dehaene (niet om zijn kromme taal), om de konijnentanden van oppositieleider Verhofstadt (niet om zijn dialectisch gebrabbel), om het boze boerenhoofd van Tobback (niet om zijn filippica).

Lichaam en geest zijn ontkoppeld in de lach van het volk. Maar als er gelachen wordt, dan wel van kop tot teen. Het schuddebuiken bestrijkt het hele lichaam - voor een anale rimpeling komt de Belg niet in beweging. Een binnenwaartse lach of ijdel gemonkel is uiterst zeldzaam, zo niet onbestaand.

In Belgische humor verschansen de onderdrukten zich. Het blijft lachen achter de hand, binnenskamers, verzegeld door de hegemonie van het corporatisme. De lach bindt het volk niet, verdriet doet dat wel.

Er bestaat een nomenklatoera van de humor: kostschool, leger, politie, dokwerker en bijstandsmoeder, alle hebben hun eigen, particuliere lachspiegels, hiërarchisch

afgezoomd.

Daarom heeft België geen cabarettraditie. Cabaret veronderstelt een gemeenschappelijkheid van lot en lust.

Humor wordt in België nooit als wapen gebruikt. Het is geen rationele maar een gevoelscategorie. Vaak de voorkant van angst en ongemak. En ze lachten van weerloosheid en gelatenheid. Het is te vergelijken met soldatenhumor in de loopgraven.

De lach als acceptatienorm waarmee doorstaan wordt wat niet te doorstaan is.

Anders gezegd: humor breekt het verzet. Vanden Boeynants was een schurk, maar zolang er om hem gelachen kon worden, stemden de mensen massaal op deze Brusselse populist.

Een gezagsdrager die zelf in een deuk ligt, kom je in België niet tegen. Humor en waardigheid zijn water en vuur, denken ze. Er is een extreme gevoeligheid voor de rituelen van het ambt. Vrijheid/blijheid is het monopolie van de kleine man. Humor verbreekt de boeien waaraan een mens gekluisterd zit en wie hoog op de ladder staat durft zich de illusie los wild te zijn niet permitteren. Daar heerst de utopie van diepe ernst. Er is veel gebral, geschreeuw en gedonder in het Belgische parlement, maar een heus lachsalvo is in het halfrond nog nooit gehoord. Enig gegniffel, ja.

Lachen om jezelf is in België een moeizame exercitie. Omdat humor organisch verbonden is met de handicap van de ander, met de kilte in andermans kleren. Grappen worden, ook door intellectuelen, het liefst in het dialect verteld: dat anonimiseert. Het maakt duidelijk dat het om een ander gaat. De boodschapper zoekt het volk als rugdekking. Wie zichzelf toch tot inzet van een slapstick verheft weet de humor zo te draaien dat ze koestert. De lach als breekijzer voor warmte en tederheid.

Laatst ging er in Antwerpen een bakker dood. Moeder en dochter wilden een ultiem eerbetoon organiseren: de brave man zou worden opgebaard in de etalage van de winkel.

Toen de nabestaanden de kist niet door het deurgat kregen, begonnen ze eerst te huilen en vervolgens onbedaarlijk te lachen. Het heeft maanden geduurd voor ze tot het verlossende inzicht waren gekomen dat deze lach geen lijkschennis was. Humor met een ondertoon van schuld: het zit diep verankerd in de Belgische ziel.

Eigenlijk is België een land zonder humor. Jawel, er wordt veel gelachen, maar het is de platte lach van de weerlozen. Lachen is passieve lust zoals eten, drinken, boeren en neuken dat meestal ook zijn. Humor is zelden een keuze, het is een karwats die selectief gehanteerd wordt: zo ver kunnen we gaan.

Er gaat in België geen esthetisch verlangen vooraf aan de lach. Belgen zijn beter in sarcasme.