Lachen als bevrediging

Humor is universeel, maar niet altijd en dikwijls gebonden aan de tijd. Kennis van de sociale codes is van belang. Een serieuze poging tot verklaring van de bevrijdende lach.

LACHT IEDEREEN OM dezelfde dingen? Persoonlijk vind ik die narren bij Shakespeare vaak behoorlijk onnozel. En volgens mij waren de Romeinen die konden lachen om de grollen van hun topkomedieschrijver Plautus behoorlijk bot. Zo is er ook een boekje met grappen uit de Griekse oudheid bewaard gebleven (de Asteia) waarbij je wel erg je best moet doen om er nog een glimlach uit te peuren (Buurvrouw: “Is je man vannacht weer zo laat thuisgekomen?” Ataxia: “Ja, het is jammer. Ik lag net zo lekker te slapen”).

Geen wonder dus dat menige kenner van het komische heeft geconcludeerd dat het gevoel voor humor “merkwaardig sterk aan tijd en plaats is gebonden” (A.D. Leeman). Voor die stelling pleit de constatering dat een Oudejaarsconference van Wim Kan uit de jaren zestig veel van zijn glans heeft verloren, omdat de actualiteit waar zijn grappen tegenaan leunden, de meesten van ons niet veel meer zegt. (“Ik dacht dat Zwolsman er ook was. Ik meende zijn fiets buiten te zien staan.”)

Maar tegen die stelling kan worden ingebracht dat de stomme films van Charlie Chaplin over de hele wereld succes hebben gehad, tot in Oosterse karavanserais en bij de Eskimo's toe, dus ook waar men nog nooit een zwerver met een bolhoed had gezien. Ook blijken oeroude Japanse Kabuki-komedies, voor zover ze op mime berusten, ons gevoel voor humor te kunnen aanspreken. Is humor dan toch voor alle mensen gelijk?

Laten we eerst even orde op zaken stellen wat de terminologie betreft. Onder humor versta ik hier een menselijke eigenschap die de bezitter gevoelig maakt voor grappen en komische effecten. En 'komisch' noem ik alle middelen waarmee een lach kan worden opgewekt bij mensen die over de gelukkige gave van de humor beschikken.

Blijkbaar zijn er komische effecten die ondanks culturele verschillen het overal goed doen. Hoe komt het dan dat andere grappen hun kracht verliezen of niet van de ene samenleving naar de andere kunnen worden overgeplaatst?

Laten we even kijken naar een frappant voorbeeld uit de toneelliteratuur. Als het tweede bedrijf van De Revisor (Gogol, 1836) begint, ligt de bediende van de (vermeende) Revisor in een herbergkamer op het bed van zijn meester. Een Ruslandkenner heeft mij eens uitgelegd dat dit in Gogols tijd een uiterst gewaagde komische scène opleverde, omdat bedienden per definitie nooit op een bed sliepen, maar op de grond - èn dat het liggen op het bed van je meester helemáál een ondenkbare brutaliteit zou zijn geweest.

Dat die bediende het dan toch in alle gemoedsrust doet, levert een zo krachtige tegenstelling op met wat te doen gebruikelijk was, dat het destijds een even luid lachsalvo opgeleverd moet hebben als een vette monnik in een middeleeuwse klucht (een 'smulpaap') die een herbergierster onder haar rokken grijpt, of een butler in een Engelse society-komedie die his Lordship een oorvijg toedient. Hoe onvoorstelbaarder in het echte leven, hoe amusanter op het toneel, als de heersende sociale codes flagrant worden verbroken.

Wanneer de drukkende conventies uit de realiteit door toneelfiguren voor ons worden opgeheven, geeft ons dat kennelijk zo'n opgelucht gevoel dat we ervan in de lach schieten. Niet voor niets heeft de vrouwen-bij-bosjes-verleidende Don Juan eeuwenlang de toptien van populaire komediefiguren aangevoerd. Maar als we de sociale code helemaal niet kennen waartegen de knecht uit De Revisor zondigt, kunnen we de reactie van het oorspronkelijke Russische publiek niet navoelen en werkt het effect dus niet komisch meer.

We mogen uit deze voorbeelden afleiden dat het principe van iets ondeugends doen, iets wat niet mag, ('lekker stout zijn') kennelijk in alle tijden en overal op aarde vrolijkheid los kan maken bij een publiek dat er zelf in alle onschuld getuige van is. In die zin is 'taboeverbreking' - zoals het procédé wel wordt genoemd - dus een universeel komisch effect, maar de invulling van dat formele principe moet wel bekend zijn bij het publiek wil dat er om kunnen lachen.

En dat geldt ook voor de andere komische procédés die onderzocht en beschreven zijn. In abstracto zijn ze van alle tijden, maar ze kunnen in een bepaalde culturele context alleen gedijen als de concrete toepassing makkelijk te bevatten is. Kennelijk schuilt er in ons allemaal een grote behoefte om geboden te zien overtreden. Het is blijkbaar enorm opluchtend zo nu en dan te rammelen aan de ketenen waarmee we onszelf hebben vastgelegd.

Onze hele cultuur is immers een stelsel van beperkingen die we weliswaar uit vrije wil accepteren omdat er anders geen geregelde samenleving mogelijk is (Ge zult niet doden, ge zult niet stelen, blijf af van de mooie vrouw van je buurman, je mag niet vloeken, niet boeren, enz.), maar daarom zijn al die geboden en verboden nog wel een dagelijkse bron van onbehagen. Freud heeft die ballast tenminste Das Unbehagen in der Kultur genoemd en verklaarde daarmee onze behoefte om zo nu en dan de maatschappelijke taboes te verbreken, liefst op een onschuldige manier.

En dat kan door bevrijdend te lachen wanneer in verhalen, op plaatjes, in films, in moppen of op het toneel ànderen de stoute dingen doen waar wij eigenlijk naar hunkeren. Een andere mogelijkheid die in tal van culturen wordt aangegrepen om aan de dagelijkse beklemming te ontsnappen, is het aanwijzen van een of enkele dagen per jaar waarin het iedereen is toegestaan over de schreef te gaan, onder de bescherming van algemene dronkenschap en verkleedpartijen: carnaval.

Wie zorgvuldig let op de structuur van grappen zal al gauw ontdekken dat er naast het procédé 'taboeverbreking' nog andere mechanismen zijn aan te wijzen die een lach kunnen opwekken, maar toch een betrekkelijk beperkt aantal. Wie er gevoel voor heeft, kan de pointe of punchline van een mop wel ongeveer voorspellen.

Tommy Cooper: “Kom ik bij de dokter. Zeg ik: dokter, het doet zo'n pijn als ik met mijn arm zo doe” (steekt elleboog schuin omhoog). “Zegt de dokter: ...” Het is duidelijk dat de dokter iets onzinnigs moet zeggen dat toch een zekere logica heeft. De patiënt heeft last als hij een bepaalde malle beweging maakt, dus...: “Says the doctor: don't do it.” Als je er even over nadenkt, voel je het aankomen. De echte komiek is echter zo snel dat hij zijn publiek een slag voor blijft.

In een interview met Max Tailleur heb ik eens gelezen dat hij inderdaad min of meer spontaan moppen kon verzinnen, omdat het vaste stramien van duizenden moppen in zijn hoofd zat. Als voorbeeld vertelde hij dat hij eens in een etalage een werkende wasmachine zag staan met zo'n glazen deurtje waarachter gekleurd wasgoed ronddraaide. Hij dacht meteen: hier zit een mop in. En even later had hij hem verzonnen: “Moos zit thuis voor de nieuwe wasmachine die Saar heeft aangezet. Sam zegt: wat zit je zo sip te kijken? Zegt Moos: Ze hadden me gezegd dat die tv niet veel zaaks is. Maar dat die programma's zó saai zijn, had ik toch niet gedacht.” Dat een grap min of meer te 'berekenen' valt, wijst er op dat maar beperkte variaties mogelijk zijn.

Inderdaad zijn er niet meer dan een stuk of zeven verschillende basisvormen voor grappen of komische effecten. De wasmachinemop van Tailleur berust op het principe dat het heerlijk is je superieur te kunnen voelen. Daarom treden in komische situaties zo vaak mensen op die in één opzicht opvallend tekortschieten. Hier is Moos dom en dat is lekker, want wij weten wel beter.

Maar blijspelfiguren plegen op tal van manieren af te wijken van de impliciete norm. Ze blijken vaak gierig, opschepperig, laf, argwanend of hypocriet en als we daar om lachen, bevestigen we met elkaar dat we heel goed weten dat je eigenlijk royaal, bescheiden, moedig, ruimdenkend en oprecht hoort te zijn. Het procédé heet dan ook wel 'indirecte bevestiging' en toehoorders die om dit soort komische effecten lachen, voelen zich op een prettige manier superieur aan de uitgelachen voorbeelden van anti-helden, en koesteren zich in de gezamenlijk hooggehouden waarden: een strelend gevoel van 'erbij te horen'.

De verschillende komische mechanismen zijn al met al in twee hoofdsoorten te onderscheiden. Ze berusten vaak op een verwijzing naar de bekende werkelijkheid, zoals in de meeste bovenstaande voorbeelden. Maar er zijn ook heel veel effecten waarvan de komische kracht schuilt in de manier waarop de elementen van de grap zelf op elkaar botsen, naar elkaar verwijzen of elkaar doorkruisen. De 'dikke' en de 'dunne' bijvoorbeeld - zo'n contrast is op zichzelf al komisch.

Zo berust ook een komische woordspeling niet op de manier waarop er commentaar op de wereld wordt geleverd, maar puur op het speelse contrast tussen de verschillende betekenissen. Als Freek de Jonge zegt: “Die jongeheer kon geen vin meer verroeren - altijd nog beter dan een Fin die zijn jongeheer niet meer kan verroeren...”, dan berust de lach op het onzinnige verband dat plotseling wordt gelegd tussen 'Fin' en 'vin' en de twee betekenissen van 'jongeheer'. Een daarvan is bovendien ook ondeugend, zodat er nog een beetje 'taboeverbreking' bijkomt om de snelle tussenzin effectvol te maken.

Inderdaad zien we vaak dat echt geslaagde grappen enerzijds met iets reëels spelen (dan zijn het Wertwitze, om met de grappentheoreticus Werner Schweizer te spreken) en anderzijds berusten op een amusante verhouding tussen de eigen onderdelen (de Formwitz-kant, volgens Schweizer).

Zo prikkelt de beste komiek op hetzelfde moment of snel achter elkaar zowel onze behoefte om aan de drukkende waardepatronen van de dagelijkse werkelijkheid te ontsnappen als ons plezier in het vrije spel met onderling verwijzende elementen dat op creativiteit en fantasie berust.

Vormgrappen amuseren omdat ze verrassend en vernuftig goochelen met verzonnen ingrediënten en waardegrappen bevredigen omdat de realiteit erdoor wordt gerelativeerd en ontregeld.

Het komisch werkende produkt van schrijvers, cineasten of tekenaars geeft ons kortom zowel signalen die uitwijzen naar onze kennis van de wereld, als signalen die er ons juist aan herinneren dat we een vrije schepping van de fantasie ondergaan. Waarschijnlijk is het die dubbele ervaring van herkenning èn spel, van gelijktijdig besef 'zo is het' en 'zo is het helemaal niet', van 'net echt, maar niet heus' die ons in staat stelt van het komische te genieten.

Je kunt dan immers ongedwongen meeleven met alle mogelijke uitingen waar ons geweten zich tegen zou verzetten, als het niet tegelijk werd gesust met speelse aanwijzingen dat het allemaal niet zo serieus bedoeld is.

Als kind voel je al dat je vrijuit mag lachen om Jan Klaassen en Katrijn, ook al is de man dom, lui en leugenachtig en is het eigenlijk zielig dat zijn vrouw hem zo hard slaat. De signalen dat het 'maar poppenkast' is liggen er zo dik bovenop dat we geen verontwaardiging of medelijden hoeven op te brengen en ongegeneerd mogen schateren.