In Liefde Bloeyende

STERFBED

Mijn vader sterft; als ik zijn hand vasthoud, voel ik de botten door zijn huid heen steken. Ik zoek naar woorden, maar hij kan niet spreken en is bij elke ademtocht benauwd. Dus schud ik kussens en verschik de deken, waar hij met krachteloze hand in klauwt; ik blijf zijn kind, al word ik eeuwen oud, en blijf als kind voor eeuwig in gebreke. Wij volgen éen voor éen hetzelfde pad, en worden met dezelfde maat gemeten; ik zie mijzelf nu in zijn bed gezeten zoals hij bij zijn eigen vader zat: straks is hij weg, en heeft hij nooit geweten hoe machteloos ik hem heb liefgehad. Jean Pierre Rawie (geb. 1949) Dat was schrikken, onlangs, toen ik mijn naam in een overlijdensadvertentie zag. Niet dat ze daarin aankondigden dat ik dood was, dat begrijpt u. Dan had ik niet kunnen schrikken. Nee, ik zag mijn naam onder een versregel staan. U kent dat, zo'n cursief gezet mopje poëzie boven in de zwarte omkadering, soms een heel couplet, soms ook maar een enkele regel. Alles is nieuw voor wie niets nieuws verwacht, stond er. Of zoiets. De regel herkende ik niet, maar mijn naam wel degelijk.

't Is schrikken omdat poëzie die in doodsadvertenties voorkomt op een paar uitzonderingen na tot de belabberde soort behoort. In het gunstigste geval is het sympathieke wegwerppoëzie. De uitzonderingen vormen de dichters die je uit de landelijk bekende en breed gewaardeerde poëzie kent (om de schoolboekjes-canon maar eens zo te definiëren), uit de echte poëzie dus. Daarbij gaat het om steeds hetzelfde handjevol uitzonderingen. Dichters als Hans Lodeizen en Ida Gerhardt. En binnen dat handjevol uitzonderingen gaat het bijna altijd om hetzelfde vaste groepje regels. Tenminste, die indruk krijg je. Wie in een overlijdensadvertentie te origineel wil zijn valt meteen een beetje uit de toon. 'De uitslover', denk je.

Het moet dus om regels poëzie gaan die niet al te individueel of moeilijk zijn - Ik was zeker dat je me niet verlaten zou morgen misschien zul je terug- komen of anders overmorgen of wie weet wel nooit - of om, ik zei het al, belabberde regels. Nu valt er bij elke dichter wel een citeerbare stoplap of wijsheid naar boven te hengelen, maar je eerste reactie bij het zien van een rouwkader is toch: o nee, laat me daar niet bij horen! Je leest zo'n regel van je zelf en weet het meteen niet meer. Alles is nieuw voor wie niets nieuws verwacht. Echt zo'n regel waarvan je vermoedt - je weet het wel bijna zeker - dat ze er iets anders in lezen dan er staat. Ik vrees dat ze denken dat ik er iets in heb verborgen. Dat het allemaal nóg diepzinniger is dan het al klinkt. In een andere overlijdensadvertentie, in dezelfde week, werd Toon Tellegen geciteerd:

Missen is iets wat je voelt als iets er niet is ook al zo'n regel. Waar je gevallen bent blijf je. Wat blijft komt nooit terug. Regels van dichters die verder heus zeer acceptabel dichten.

Nu maar hopen dat je in het rouwgebeuren tot de uitzonderingen blijft behoren en dat die ene zwaluw van terminale citeerbaarheid niet de eeuwige zomer van je belabberdheid heeft ingeluid. Want bij sterfgevallen hoort het om Toon Hermans te gaan, om Nel Benschop, dat soort poëten. Of om iemand met een naam waar je nooit van hebt gehoord en waarachter zich dan een familielid verschuilt, dat 's avonds ook heel aardig dicht. Of om een ontboezeming uit de schrijfmap van de dode zelf.

Ik heb er niks tegen als mensen in een periode van rouw troost in zulke versjes vinden. Maar het is doorgaans een laffe troost. Slechte poëzie is altijd een belediging, zelfs op momenten dat je wel iets anders aan je hoofd hebt. Zelfs voor mensen die buiten sterfgevallen om nooit naar poëzie grijpen, al was het maar naar een surrogaat van poëzie.

Het zijn meestal de surrogaatdichters en de leveranciers van wat 'voor poëzie doorgaat' die bij rouw het gevoelsgat opvullen. Dat hoeft niet altijd. Een gedicht als Rawies Sterfbed blijkt bij begrafenissen ook heel veel troost te kunnen geven. Het is een gedicht dat bij de baar of aan de grafkuil precies beantwoordt aan de functies van een goed rouwgedicht. Die functies zijn bezinning en herkenning. Er zit duidelijk het beeld in dat heel ver weg - dood - tegelijkertijd heel dicht bij kan zijn. Het verwoordt het gevoel van machteloosheid bij de nabestaanden, een gevoel dat bovendien de vorm van zelfverwijt aanneemt - ik blijf zijn kind, al word ik eeuwen oud, en blijf als kind voor eeuwig in gebreke - het biedt troost door op de eeuwige loop der dingen te wijzen en door ons zelf voor te stellen als slechts een schakel in de opeenvolging van de geslachten. In Rawies gedicht krijgt de dood iets algemeens én iets bijzonders. We 'worden met dezelfde maat gemeten' staat er, en er is de uitgeteerde vader. Ons leven wordt door de dichter als iets nietigs én iets belangrijks voorgesteld. Eén voor één volgen we hetzelfde pad en toch, van generatie op generatie, geven we de liefde door. Rawie maakt de dood voor ons vertrouwder en toch geen spat minder vreemd. Dat allemaal in één gedicht.

Het stemt tot tevredenheid dat een dichter op zo'n manier in staat is de priester en de dominee te vervangen. De begeleiding van de dood is zowat de laatste functie die hun zielzorgersbestaan in veler ogen nog rechtvaardigt. De poëzie kan alles beter. Waar de begrijpende, zalvende kerkdienaar aan het graf met grote omhaal van woorden zo weinig mogelijk zegt, zegt de dichter met weinig woorden alles.

    • Gerrit Komrij