Het probleem ligt in Rwanda

Rwanda verdeelt niet alleen Hutu's en Tutsi's, maar ook Afrikanisten. In NRC HANDELSBLAD van 8 november publiceerde dr. J. Abbink een eigenaardig stuk. De titel ('Westen onderschat ingrijpende veranderingen in Afrika') dekt slechts zeer gedeeltelijk de lading. Alleen de laatste kolom, waarmee ik het in grote lijnen eens ben, gaat over het aangekondigde thema. Al wat daaraan voorafgaat, geeft een merkwaardige lezing van hetgeen ik in de krant van 1 november schreef.

Uiteindelijk komt zijn kritiek er op neer dat ik een aantal dingen niet zeg en mij toespits op de verantwoordelijkheid van het Rwandese Patriottische Front (RPF). Ik pleit gaarne schuldig, want dat was precies de bedoeling van mijn opiniestuk. De rol van andere actoren, die Abbink graag in mijn tekst had gevonden, heb ik vroeger al uitvoerig besproken. In mijn in 1985 verschenen boek Pouvoir et Droit au Rwanda bespreek ik de verantwoordelijkheid van de Belgische koloniale overheid en de katholieke kerk en in l'Afrique des grands lacs en crise (Parijs 1994) ben ik bepaald niet mals voor het oude Rwandese regime. Rwanda - Trois jours qui ont fait basculer l'histoire (Brussel en Parijs 1996) legt de verantwoordelijkheid voor de volkenmoord bij de Hutu-extremisten en haalt scherp uit naar de internationale gemeenschap. Van een onderzoeker aan het Afrika-Studiecentrum die hier in debat treedt zou ik op zijn minst verwachten dat hij de literatuur kent.

In de media is al dikwijls de nadruk gelegd op de verantwoordelijkheid van deze interne en externe acteurs. Toch is het blijkbaar nog steeds niet 'politiek correct' om ook maar de minste kritiek te leveren op het RPF-bewind en het ding bij zijn naam te noemen. Degene die dat wél doet, wordt uitgescholden voor 'revisionist', zelfs als die kritiek komt van iemand, zoals ik, die vanaf de eerste dag de genocide tegen de Tutsi's aan de kaak stelde. Een dergelijke oprisping ontwaar ik ook bij Abbink: het RPF heeft de genocide beëindigd, er is in Rwanda “geen goed alternatief”, er is een “soort wederopbouw” bezig en ik lees zelfs dat “de berechting van de moordenaars van 1994 is begonnen”. Toch moet het eerste proces nog een aanvang nemen, terwijl 100.000 mensen, onder wie vele onschuldigen, in gevangenissen en andere detentiecentra wegrotten. Indien de vluchtelingen gedwongen naar Rwanda worden gerepatrieerd, komen daar nog ten minste 100.000 bij.

In zijn beleid van machtsmonopolisering en algehele 'tutsificatie' van het land (bestuur, gerecht, onderwijs, veiligheidsdiensten, economie) en in zijn praktijk van massale schendingen van de rechten van de mens weet het bewind van Kigali zich gesteund door een internationale 'samenzwering van de stilte' die laat begaan en niet wil horen van kritische geluiden. Abbink verwijt mij “alleen de korte termijn te bekijken”. Dat is nu precies wat ik niet doe. Denkt Abbink écht dat Rwanda en de regio op termijn enige mate van stabiliteit zullen bereiken indien in Kigali een regime aan de macht is dat de grote meerderheid van de bevolking binnen en buiten het land blijvend uitsluit? Moet er opnieuw een genocide komen vooraleer achteraf wordt ingezien in welke impasse Rwanda is beland? Aan de volkenmoord van 1994 zijn veel geringere mensenschendingen voorafgegaan dan degene die door het RPF zijn gepleegd sedert het in juli 1994 aan de macht kwam.

Eerlijk gezegd vind ik niet dat ik op dit punt veel lessen te ontvangen heb: reeds in 1992 - toen nog bijna niemand wist waar Rwanda lag - klaagde ik de 'doodseskaders' van het oude regime aan en repte ik van komend massaal geweld. Ook voor de regionale uitbreiding van het conflict, die wij nu meemaken, waarschuwde ik al in 1994.

Het vroegere, huidige en toekomstige geweld zijn de gevolgen van een nog steeds onopgelost politiek probleem in Rwanda. Dat conflict kan enkel door een politieke dialoog worden opgelost. Niet, zoals Abbink lijkt te denken, door de terugkeer van een Hutu-meerderheidsbewind, maar ook niet door de instandhouding van een Tutsi-minderheidsbewind. De dialoog zal dus moeten plaatshebben tussen Hutu's en Tutsi's (niet als Hutu's en Tutsi's) die zich niet hebben schuldig gemaakt aan genocide en andere misdaden tegen de menselijkheid. Zulke mensen zijn er in en buiten Rwanda; hén blijvend uitsluiten is een recept voor nieuw onheil en de endemische destabilisering van het land en de regio.

De politieke oplossingen waartoe zulke onderhandelingen moeten leiden zullen inderdaad, zoals Abbink schrijft, moeten blijk geven van verbeeldingskracht. Ik kan hem op dat punt geruststellen, aangezien ik zeker niet één van de 'vele regiodeskundigen' ben die heeft gepleit voor 'democratie op basis van evenredige vertegenwoordiging' (dat wil zeggen, onomkeerbare Hutu-dominantie). Integendeel, ik heb zowel ten aanzien van Burundi als van Rwanda herhaaldelijk gezegd en geschreven dat vormen van consensusdemocratie onontbeerlijk zullen blijken: grote coalities, minderheidsveto en be-scherming/oververtegenwoordiging van minderheden, arbitrage- en overlegprocedures, met andere woorden een systeem waar 50 procent plus één niet de totaliteit van de macht uitoefent. Alleen op dit punt zijn Abbink en ik het eens.

    • F. Reyntjens