Gieren om lytse Teake

De klassieke conferencier bestaat bijna niet meer in Nederland. Maar in Friesland hebben ze Teake van der Meer. Verslag van een avondje Úthôf.

EEN 'FAMKE' VAN zeven komt bij de drogist en vraagt om de pil. “Maar meisje, jij aan de pil?” “Ja”, zegt het kind, “ik heb nu al zeven barbie-poppen en dat vind ik welletjes.”

Het zaaltje kan de kwinkslag waarderen en meer dan dat. Alle symptomen die bij een hevige uitbarsting van vreugde horen, doen zich voor. Lachen, gieren, schuddebuiken, het slaan op dijen of tafel en tranen die over wangen biggelen. Teake van der Meer, de bron van joligheid, houdt enige tellen in om met vaste stem weer verder te gaan. 'Omke', lichtelijk beschonken, komt bij de burgerlijke stand zijn tweeling aangeven. “Goedemorgen heren.” “Heren? Ik zit hier anders alleen aan het loket.” “O, dan moet ik thuis nog eens beter gaan kijken.”

Omke, famke, Teake - het kan niet missen, we zijn in Friesland. Pogingen om elders in Nederland een ouderwetse conferencier van bruiloften en partijen op te sporen, zijn op niets uitgelopen. Het fenomeen blijkt praktisch uitgestorven. Ik herinner me van vroeger, eind jaren vijftig, de 'Narren van Hank', die in het Land van Altena en omstreken hun grollen verkochten. Later had je Harry Touw, die (afgezien van zijn tv-rol als Fred Haché) voornamelijk op de kleine podia stond en nog wat van die mannen, maar nu?

“Ach mijnheer”, klaagt een voormalig beoefenaar van het genre, “moppen slaan niet meer aan. Misschien aan de bar, maar niet in een zaal. De mensen kunnen er niet meer om lachen.”

Een telefonische rondgang langs diverse bemiddelingsbureaus voor artiesten bevestigt de droeve strekking van zijn verhaal. Passé, fini, verleden tijd, krijg ik regelmatig te horen. Er is er een die Bob de Rooy nadoet, een collega bekwaamt zich in meneer De Bok, maar komieken die andermans typetjes spelen, zijn niet de bedoeling. Wat ziet of hoort men dan wèl op een doorsnee-partijtje? Een enkele buikdanseres of jongleur, goochelaar of magische show en verder muziek, van gedempt tot keihard en meestal het laatste.

Dat alles wat betreft 'Holland'. Via via hoor ik echter dat Friesland waarachtig nog een grappenmaker telt die de heugenis aan het vak springlevend houdt. Teake van der Meer is de naam, 59 jaar oud, opererend vanuit Zwaagwesteinde en goed voor een avondvullend programma. Zo vervoeg ik me op vrijdagavond 8 november in dorpshuis de Úthôf te Siegerswoude, een 820 zielen tellend gehucht achter Drachten, gemeente Opsterland, vlakbij de grens met Groningen. Wat niet wegneemt dat ze hier allemaal Fries spreken of in elk geval verstaan, een onverbiddelijke voorwaarde om het gebodene naar waarde te schatten, want Teake doet het alleen in het Fries.

En daar schuilt nu precies mijn handicap. Sommige flarden in de urenlange conference, inclusief een optreden als Hendrikje, een tachtigjarige beppe met neepjesmuts, willen wel tot me doordringen, maar verder is het of ik een Kroaat of Pool voor me heb. Een man uit Ureterp waar ik toevallig naast kom te zitten, is zo vriendelijk zich als tolk aan te bieden, maar daar komt in de praktijk niet veel van terecht. Zodra zijn lach is uitgewoed, spitst hij alweer de oren om niets van Teake te missen.

Vrouw komt thuis met een doorkijkjurk. “Ik weet niet of je 't weet”, zegt haar echtgenoot, “maar die jurk is doorzichtig.” “Maar als ik erin zit niet meer.” Die kan ik nog net op eigen kracht volgen.

Eerder die dag sta ik tussen twee grijsaards aan de tap van een behaaglijke Friese kroeg. “Teake”, zegt de een, “is hier een soort nationale figuur, de laatste der Mohikanen.” “En altijd volle zalen”, weet de ander, “Waar die man het vandaan haalt, daar sta je van te kijken. Moppen aan de lopende band, één grote spraakwaterval.”

's Avonds in Siegerswoude kan ik vaststellen dat het klopt. Geen bruiloft en ook geen personeelsfeest, maar de jaarlijkse bonte avond in het dorpshuis, voor ieder à twaalf gulden vijftig toegankelijk. Al om kwart voor acht is de laatste van tweehonderd stoelen bezet. “Vorige keer hadden we cabaret, maar toen zat de zaak niet eens half vol”, meldt de voorzitter. “Fijn dat we Teake nu hebben.”

In de pauze begeef ik me achter het podium, waar de conferencier zich in de outfit van Hendrikje wurmt. Nu van dichtbij zie ik dat hij een prachtig clownsgezicht heeft onder een bos stekelig grijs haar. Klein van gestalte. “Lytse Teake” noemen ze hem tussen Lemmer en Dokkum: kleine Teake.

“Overdag ben ik timmerman, onderhoudstimmerman bij een stichting voor probleemjeugd die in groepjes onder leiding samenwoont, en 's avonds doe ik dit. Praktisch elke avond en dat al sinds dertig jaar. Morgenmiddag heb ik weer een bruiloft in Drachten en dinsdagavond een partij in Gorredijk. Dan ben ik tevens ceremoniemeester. Wat ik daarvoor vraag? Moet dat nou echt in de krant? Zeg maar vanaf vijfhonderd gulden.

“'t Is inderdaad een uitstervend vak waar ik mee bezig ben. Hier in Friesland heb ik eigenlijk maar één collega, Piet Braam uit Hardegarijp, die er ook bij zingt, wat ik niet doe. En dan Riens Gratama natuurlijk, maar die is beroeps. Misschien zijn er nog een paar, maar zeker niet avondvullend. Ik kom ook wel buiten Friesland, maar dan alleen voor verenigingen van Friezen, want die heb je in alle grote plaatsen, Arnhem, Amersfoort, Amsterdam. Vorig jaar was ik tien dagen op tournee door Canada en de VS, ook weer alleen voor de Friezen.

“Wat ik breng is eenvoudige humor, uit het leven weggepakt. De mensen hebben toch al beslommeringen genoeg. Ik hou me verre van politiek en geloof, maar dan blijft er nog genoeg over. En er wordt nooit op de man gespeeld. Je staat op het podium en dan zie je wel eens iemand zitten waarvan je denkt: die zou ik even kunnen pakken. Soms is de verleiding groot, maar je doet het niet, je gaat je publiek niet staan krenken, dat is me te goedkoop.

“Dik twee uur duurt mijn optreden, maar ik heb voor minstens vijf uur paraat en dus doe ik het morgen weer anders dan vandaag. Nee, er komt geen spiekbriefje aan te pas, 't zit allemaal in mijn hoofd, net een computer.

“Ik zit er dag en nacht over te prakkizeren en dat is ontzettend vermoeiend, maar ik kan het nu eenmaal niet laten. Je hoort wel beweren dat het een gave is, ik denk het ook wel eens. Soms zeggen de mensen: 'Je vertelt het zó, dat we het zien gebeuren.' Dat is voor mij een groot compliment, net als die schaterlach.”

Even later komt Teake als Hendrikje bij de dokter, omdat ze niet kan slapen. Hij vraagt haar achter het gordijn een plasje te doen en ze komt met een volle literfles terug. “Maar ik had maar een klein beetje nodig.” “Ach dokter, een kleintje lukt me niet, want er zit geen handrem op. Neem maar wat u nodig hebt en gooi de rest maar weg.”

Zo ongeveer - blijkt me uit navraag in de Úthôf en niet bij de man uit Ureterp, want die ligt alweer plat. Humor, Friezen en niet-Friezen, vrolijke ouderwetse humor.