Een grap moet ergens vandaan komen

Een goede grap is makkelijker verzonnen dan verteld. Drie basisprincipes voor praktiserende humoristen. Over timing, logica en het grote geheel.

HANDENWRIJVEND VAN de voorpret betrad de komiek het podium en zei: “Ik heb er zin in vanavond... maar eerst de voorstelling.” Meteen oogstte hij zijn eerste lach. Zo makkelijk lijkt het, het maken van een grap, en zo moeilijk is het. Want als Herman Finkers, de droogkomiek uit Almelo, het tweede deel van die zin iets te langzaam of iets te snel had gezegd, was er minder gelachen. Hij gaf zijn publiek net genoeg tijd om de eerste zes woorden tot zich te laten doordringen, maar niet zó veel dat het publiek zelf al de gelegenheid kreeg om een grappig vervolg te verzinnen. De verrassende wending kwam net nog onverhoeds.

Het had trouwens ook op een andere manier verkeerd kunnen gaan. Bijvoorbeeld als Finkers nadrukkelijk zuchtend had gezegd: “... maar eerst moet ik die hele voorstelling nog spelen.” Dat had een veel te zware druk gelegd op het verdere verloop van zijn conference. Het publiek zou hem dan hebben gezien als iemand die met tegenzin zijn lesje staat af te raffelen. Natuurlijk zou dat gevoel na verloop van tijd wel verdwijnen, maar in het begin was het zeker stroever gegaan. De woorden “... maar eerst de voorstelling” hadden nog precies de juiste lichtheid om geen doem over de eerste minuten te werpen. Het was maar een grapje; niemand hoefde er zich gegeneerd bij te voelen.

Als geen ander is Herman Finkers op dit moment de meester van de oneliner, de zin die halverwege een onverwachte kant uitschiet - en toch nog binnen de grenzen van de logica blijft. “Mijn naam is Herman Finkers”, begon hij één van zijn allereerste programma's, “en er zijn er niet veel die dàt kunnen zeggen.” Haast nergens zijn zijn wendingen geforceerd; vrijwel nooit klinken ze alsof de auteur ze met veel pijn en moeite aan de schrijftafel heeft verzonnen, zoals bij zoveel andere grappenmakers. “Ik heb vroeger op school vaak in de hoek moeten staan”, zei een beginnend cabaretier onlangs, “en daar heb ik geleerd leuk uit de hoek te komen.” Het publiek lachte, maar bij degenen die veel cabaret zien, knerpte er iets. Het was een flauw en voorspelbaar grapje, waarin bovendien iets moeizaams meeklonk. Het was, in de slechte betekenis van het woord, bedacht. En ook daarover heeft Finkers zich in zijn bekende stijl uitgelaten: “De beste grappen zijn de grappen die niet bedacht zijn. Maar bedenk die maar eens.”

De oneliner, waarin Finkers excelleert, heeft een lange geschiedenis. Dat betekent echter niet dat alle oneliners uit het verleden nog bruikbaar zijn. “Mijn zuster is zo scheel, dat als ze huilt, de tranen kruislings over haar rug biggelen”, was een grap van de vooroorlogse Lou Bandy, die nu hopeloos verouderd is. Misschien heeft dat te maken met de ontwikkelingen die de fatsoensnormen hebben ondergaan - hoewel het heel effectief kan zijn een grap te maken die evident tegen de goede smaak ingaat - en misschien klinkt hij ons nu gewoon tè gekunsteld, tè bedacht in de oren.

Vanzelfsprekend speelt ook de context een rol. Een grap die nergens vandaan komt, werkt niet. De toehoorder moet al enigszins op het goede spoor zijn gezet alvorens de kwinkslag zijn juiste, ontsporende werking kan hebben. Dat kan door de tekst die eraan voorafgaat, en dat kan ook door de uitstraling van degene die hem vertelt. Iemand die zijn grappen op weergaloze wijze uit het niets kon laten komen, was Tommy Cooper. Hij straalde nu eenmaal niets dan malligheid uit. Ook in zijn geval was er dus een context - hijzelf. In het algemeen geldt dat de grap in een logisch verband moet staan. John Cleese, de theoreticus van Monty Python, heeft eens gezegd dat er niets tegen een sketch is waarin iedereen als banaan is verkleed. Maar zodra er iemand in een gewoon kostuum verschijnt, moet daar een glasheldere reden voor zijn - anders is de logica zoek.

Logica heeft ook te maken met geloofwaardigheid. Men moet kunnen geloven wat de grappenmaker zegt. Niet op de manier waarop men een nieuwslezer of een betrouwbare kennis gelooft, maar meer in het algemeen: het moet logisch zijn dat nu juist híj degene is die deze grap maakt. Een bedeesd knaapje dat harde politieke grappen maakt, is niet geloofwaardig. Er zijn er - om een voorbeeld uit een ander genre te noemen - die Lee Towers in zijn Amerikaanse show-repertoire niet kunnen geloven, omdat 's mans Rotterdamse bootwerkersmotoriek haaks staat op de geacheveerde man-van-de-wereld-sfeer die in die songs wordt opgeroepen.

En daarmee komen we op de eerste van de Drie Gouden Regels voor de Humorist:

1. De grap moet logisch en geloofwaardig zijn.

Een andere essentiële voorwaarde voor succes kwam al naar voren: timing, het lastigste onderdeel. Niemand kan voorschrijven hoeveel onderdelen van seconden er voorbij moeten gaan voordat de clou wordt geplaatst. Deze kunst wordt slechts door oefening gebaard. “Een conference”, zegt Freek de Jonge in de bundel vraaggesprekken Over het vak van Coen Verbraak, “is een soort keitjes-springen door een plas: je springt van de ene lach op de andere. Ik ben tevreden als in een bepaald ritme van praten iedere pauze wordt opgevuld met een lach. Er mogen geen tussenzinnen zijn, er mag geen adem worden gehaald als er niet gelachen wordt. Dat is voor mij het basisprincipe van een conference.”

In zijn boek Mag ik uw handtekening? beweert Hans Dorrestijn iets soortgelijks: “Persoonlijk ben ik er dol op om, zodra de lach van het publiek begint weg te ebben, er met de volgende zin dwars doorheen te snijden. (...) Die gewoonte van me om door te gaan voordat het publiek is uitgelachen, heeft vaak wel tot gevolg dat theaterbezoekers me soms na afloop verwijten dat sommige grappen hun zijn ontgaan, doordat ik steeds zo snel doorging. Van dat verwijt trek ik me bar weinig aan. Ik vind het minder erg dat er hier en daar een grap verloren gaat, dan te wachten tot de lach helemaal is weggestorven. Inderdaad verhoogt het laatste de verstaanbaarheid, maar anderzijds loop je het risico dat het publiek stiekem bij zichzelf gaat denken: nou, jij staat je grappen wel èrg uit te melken, vader.”

Uitleggen hoe het werkt, is vrijwel onmogelijk. “Het zit in je natuur”, aldus Youp van 't Hek in Over het vak. “Dat geldt al in gewoon gezelschap: net even een bepaalde stilte in acht nemen voordat je iets zegt, zodat het kwartje precies op tijd valt. Dat kun je niet leren.” Wat kan helpen, is de kunstgreep die Paul van Vliet hanteert: op het moment van de clou bijna ongemerkt één stapje naar voren zetten. Of, zoals Freek de Jonge dat doet, een zichtbaar aanloopje nemen met het hele lijf.

2. De clou van de grap moet op het juiste moment worden verteld, niet te vroeg en niet te laat.

Van groot belang is ten slotte het vervolg. De leek die zojuist met succes een grap heeft verteld, is vaak geneigd de clou te herhalen. Let maar eens op hoe vaak dat gebeurt - en hoe vervelend dat meestal is. We hàdden hem al begrepen, we hoeven hem niet opnieuw te horen. Beter is het te zwijgen of nog een extraatje in petto te houden. “Ik zou er wel voorstander van zijn de misdaad een beetje te legaliseren”, zei de debuterende cabaretier Marc Scheepmaker onlangs, “om het wat uit de criminele sfeer te trekken.” Daarna werkte hij dat idee uit: gedoogzones bij Albert Heijn voor kleine diefstal - niet de allerduurste spullen natuurlijk, maar bijvoorbeeld alleen huismerk. In die gedachtenstroom oogstte ook het woord huismerk, op zichzelf helemaal niet zo'n daverende grap, toch nog een fikse lach.

Wie zijn grappen op die manier in de juiste dosering opstapelt, zal merken dat ze steeds minder spits hoeven te zijn. Een sterk voorbeeld is de beroemde galabanket-conference van Toon Hermans, anno 1963. Ruud Kuyper, één van zijn toenmalige begeleiders, heeft daarvan de lachmomenten geboekstaafd: “Bij zo'n galabanket, daar ga je niet gelijk aan tafel. Dat heet trouwens niet aan tafel gaan. Dat heet áánzitten. Dat is heel merkwaardig. De excellenties zitten aan - áán het banket. Dus twéé keer áán. Aan aan (lach 4 seconden). Excellenties zitten áán... áán het banket. Dus niet: ze zitten aan het banket. Denk erom. (lach 4 seconden). Want ze mogen nèrgens áán-zitten. (lach 10 seconden) Dat mag niet. Nee, nee, nee, nee, nee. Want ik zag één minister, die zat éven ergens áán (lach 8 seconden) en die werd gelijk op z'n vingers getikt (lach 2 seconden). Want toen zei ik nog: dat kun je in je zàk steken (lach 6 seconden). En toen wóu die 't in z'n zak steken (lach 6 seconden) maar dat màg niet. Bij zo'n banket mag je níets in je zak steken (lach 3 seconden). Want ik wou zo'n bal gehakt in m'n zak steken (hardere lach 8 seconden). Lag vlak voor me (lach 2 seconden). Zelden zo'n mooie bal gezien (lach 2 seconden). En ik heb véél ballen gehakt gezien van m'n leven, héél veel (lach 6 seconden). Maar dat was geen gewone bal (lach 2 seconden). Dat was een gálabal (lach 6 seconden)...”

Wat dit citaat aantoont, is dat lang niet elke lach volgde op een ijzersterke grap. Integendeel: door het bijkans hallucinerende herhalingseffect veranderden ook de minst betekenende zinnetjes uit het verhaal in fonkelende grappen. “Op den duur hield het lachen van het publiek tijdens deze conference, die ook nog eenzelfde serie oneliners bevatte over de appelmoes, gewoon aan”, aldus Kuyper in zijn boek Toon Hermans, clown in klompenland. “Alleen de sterkte werd nog door Toon bepaald.” Hij deinde, zoals het de ware grappenmaker betaamt, mee op de stroming van de lach, maar bleef die wel de baas. Zo'n conference laat zich het best vergelijken met zeilen: meevaren op de wind en de golven, maar nooit de boel helemaal laten vieren. Met andere woorden:

3. De grap moet worden opgenomen in een groter geheel - hoe grootser het geheel, des te minder groots hoeft de grap te zijn.

Bedenk bovendien hoe Youp van 't Hek zijn dochtertje leerde fietsen. Hij trachtte alle onderdelen te analyseren om het haar zo goed mogelijk voor te doen. Uiteindelijk viel hij daarbij zelf bijna om. Hij kòn het niet meer. Datzelfde geldt voor het vertellen van een grap. Wie zich deze basiswetten niet zodanig eigen kan maken, dat het hem als vanzelfsprekend afgaat, zal er nooit iets van kunnen. Overigens komt deze handicap ook bij heel wat beroepsgrappenmakers voor.

    • Henk van Gelder