Bill Kok versus Newt Bolkestein

Campagnes voor de presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten hebben altijd een bijzondere aantrekkingskracht op Europeanen. Vreemd is dat niet.

Nergens ter wereld is de marketing van de politiek zo ver doorgevoerd als in Amerika. De veramerikanisering van de politiek is nog steeds het grote afschrikwekkende toekomstbeeld van menig politicus in Europa. Dat wil zeggen: verbaal. Want zo veel als er geschamperd wordt op de Amerikaanse campagnemethodes, zoveel wordt er met interesse gekeken, hoe het er nu allemaal precies in zijn werk gaat.

Ook buiten de Verenigde Staten gaat het immers steeds meer om de mannen en vrouwen die de diverse lijsten aanvoeren en steeds minder om de inhoud. Het imago, daar draait alles om. Nu de ideologische scheidslijnen zijn vervaagd, is het electoraal potentieel van praktisch iedere politicus oneindig vergroot. Dankzij de zwevende kiezer valt voor iedereen een wereld, of in elk geval een meerderheid te winnen. Voorwaarde is wel dat er een goede bewerking van de markt plaatsvindt. Amerikaanse toestanden dus; ook in Europa, ook in Nederland.

Het ironische is dat er in Amerika sinds de verkiezingsuitslag van vorige week juist wordt gesproken over Europese toestanden. De kiezers brachten een president van de Democraten aan de macht, maar hielpen tegelijkertijd de Republikeinen in het Congres aan een meerderheid. Dat is een Democratische president nog niet eerder overkomen. Clinton verspeelde zijn meerderheid in het Congres voor de eerste keer in 1994 toen hij reeds twee jaar president was. Nu is hij echter zijn natuurlijke steun van het Congres al van het begin af aan kwijt. Het betekent dat hij is aangewezen op samenwerking met de Republikeinen, wil zijn nieuwe ambtstermijn niet uitdraaien op een totale verlamming. Kortom, een grote coalitie. Clinton heeft de dagen na de verkiezingen geen gelegenheid voorbij laten gaan om te benadrukken dat dit ook de boodschap van de Amerikaanse kiezers is geweest. De politiek moet nu even voor vier jaar opzij worden gezet, er moet worden samengewerkt, aldus Clinton meteen na zijn herverkiezing.

Hoewel de verhoudingen in de Verenigde Staten totaal anders liggen, klinkt een dergelijke oproep Nederlanders zeer vertrouwd in de oren. Het midden aan de macht, ofwel paars Amerikaans. Zoiets vergt flexibele politici, maar flexibiliteit is Clinton zijn sterke punt. Behendig heeft hij de afgelopen twee jaar Republikeinse programmapunten overgenomen, om ze vervolgens als eigen beleid te presenteren. Zijn eigen partij had daarbij vaak het nakijken, maar kon weinig uithalen. Opstand tegen de eigen leider is een zekere garantie voor verlies bij de verkiezingen. Vervang de naam Clinton door Kok en de parallel is daar.

Ook Kok ontpopt zich steeds meer als een politicus zonder partij. Als premier van alle Nederlanders zal hij over anderhalf jaar de verkiezingen ingaan. Een logisch uitvloeisel van dit gegeven is dat zijn partij, de PvdA, zich tot aan de verkiezingen ook zoveel mogelijk als partij van alle Nederlanders zal manifesteren. Want alle programmaschrijvers ten spijt, het draait straks allemaal om de fel begeerde 'premier-bonus'.

Een gunstig economisch klimaat biedt meer kans op de hoofdprijs. Ook wat dat betreft kunnen de verkiezingen en de daaraan voorafgaande campagne in de Verenigde Staten als voorbeeld dienen. Never change a winning team, geldt in belangrijke mate ook voor het electoraat. Clinton had met de Republikein Dole vanuit marketingoogpunt bezien een zwakke tegenkandidaat. Maar de vraag is of een ander het onder de huidige economische omstandigheden wel tegen Clinton had kunnen opnemen. Zoals door één van de vele analisten na de verkiezingen werd opgemerkt: het ging niet zozeer om de opvattingen van Dole en die van Clinton, het was veel meer een referendum over het beleid en optreden van Clinton.

In exact dezelfde situatie verkeert Kok straks als de omstandigheden tenminste blijven zoals ze nu zijn. De kiezers zullen dan met hun stem een oordeel vellen over het gevoerde beleid. Als de parameters in 1998 nog in dezelfde richting wijzen als nu, hoeft Kok zich weinig zorgen te maken. Het overgrote deel van het electoraat heeft behoefte aan stabiliteit.

Dat nu maakt tevens de positie van VVD-leider Bolkestein zo hachelijk. Ook hij kan veel leren van wat er zich de afgelopen jaren in de Verenigde Staten heeft afgespeeld. Ongeveer tegelijk met de opmars van Bolkestein in Nederland, tot uiting komend in de grote liberale zege bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten van 1994, vond in Amerika de 'Newt Gingrich-revolutie' plaats. Met zijn tien-puntenplan om het beleid drastisch te hervormen, veroverde Gingrich een meerderheid in het Congres. Nu enkele van zijn voorstellen in de praktijk zijn gebracht, is het Amerikaanse publiek van de dadendrang geschrokken. Met als gevolg dat de held van twee jaar geleden dit jaar moest vechten voor zijn eigen zetel. Volgens de Amerikaanse commentator R.W. Apple jr. heeft Clinton zijn overwinning helemaal aan Gingrich te danken. Hij werd vereenzelvigd met het Republikeinse alternatief, waar de meerderheid van de kiezers vanwege de consequenties niet mee door wenste te gaan.

Een vergelijking met Nederland gaat vanzelfsprekend op diverse punten mank. De VVD-inbreng in de provincies en in de Eerste Kamer lijkt in de verste verte niet op het Republikeinse offensief. Waar het echter om gaat, is dat een groot deel van de kiezers geen behoefte heeft aan extra daadkracht, oftewel experimenten, als het toch al redelijk goed gaat. Op zo'n moment kan krachtige taal zich tegen de boodschapper keren. Met andere woorden: hoe meer Bolkestein tamboereert, des te meer meer Kok incasseert.

Tegenwoordig kan Nederland de Europese vergelijkingen met glans doorstaan. De afgelopen weken hebben in diverse buitenlandse bladen lovende artikelen over de economische politiek van het kabinet-Kok gestaan. Nog even en er wordt gesproken over het Nederlandse model: krachtig, maar toch altijd weer met mate. Die houding tonen de kiezers bij verkiezingen uiteindelijk ook: krachtig, maar toch met mate. Bill Kok en Newt Bolkestein zullen dat merken.

    • Mark Kranenburg