Surinamers en Antillianen lopen achterstand snelst in

ROTTERDAM, 13 NOV. Onder allochtonen ontstaat een tweedeling in kansrijken en kansarmen. De eerste groep is hoger opgeleid, heeft minder moeite met de Nederlandse taal en is minder op de eigen groep georiënteerd dan de kansarmen. Surinamers en Antillianen/ Arubanen lopen het snelst hun achterstand op de autochtone bevolking in, vooral op de arbeidsmarkt.

Dit schrijft het Sociaal Cultureel Planbureau in de vandaag verschenen Rapportage Minderheden. Uit het rapport blijkt dat in 1994 70.000 meer allochtonen aan het werk waren dan in 1989. Daaronder vallen vooral werknemers van Surinaamse, Antilliaanse en Arubaanse afkomst. In 1987 was bijna dertig procent van hen werkloos, in 1994 was dat aandeel gedaald tot ruim twintig procent. Ook jonge Marokkaanse en Turkse vrouwen gaan vaker aan het werk.

Het aantal werkende Marokkaanse en Turkse mannen groeide ook, maar hun aantal houdt gelijke tred met de groei van het aanbod op de arbeidsmarkt. De kansarmen blijven ver achter bij de autochtonen, waarschuwen de onderzoekers. Zo lag de werkloosheid onder Marokkaanse en Turkse mannen in 1994 ongeveer 6,5 keer zo hoog als onder autochtone mannen.

Het SCP pleit voor een krachtig minderhedenbeleid om de tweedeling binnen de allochtonen tegen te gaan. Tegelijkertijd wijst het bureau erop dat overheidsmaatregelen om bijvoorbeeld de werkgelegenheid te stimuleren maar weinig effect hebben gehad.

Exemplarisch daarvoor is volgens het SCP de Wet bevordering evenredige arbeidsdeelname allochtonen (WBEAA), die werkgevers verplicht het aantal allochtone werknemers te registreren. “De positie van de kansarmen is er niet door verbeterd en de kansrijken waren er zonder deze maatregelen ook wel gekomen”, zo schrijft het planbureau in zijn rapport.

De oorzaak van de achterstand op de arbeidsmarkt ligt volgens het SCP in discriminatie door werkgevers, slechte beheersing van de Nederlandse taal en het lagere opleidingsniveau van allochtonen. Toch bespeuren de onderzoekers vooruitgang.

Pag.2: Nederlandse taal is barrière

Zo volgen Marokkaanse en Turkse leerlingen minder vaak het voorbereidend beroepsonderwijs maar stromen ze eerder door naar het middelbaar beroepsonderwijs. Slechts weinig allochtonen studeren echter verder op hogeschool of universiteit. Op het gebied van onderwijs scoren de Surinamers en Arubanen/Antillianen ook beter dan de overige allochtonen, mede doordat zij beter en sneller Nederlands spreken.

De vier grootste minderhedengroepen (Surinamers, Turken, Marokkanen en Arubanen/Antillianen) zijn gegroeid. In 1990 woonden er 700.000 allochtonen in Nederland, dit jaar 850.000. De groei van de klassieke minderheden wordt echter overtroffen door de toename van vluchtelingen die in Nederland een verblijfsvergunning hebben gekregen.

De onderzoekers wijzen erop dat de immigratie de afgelopen twee jaar is afgenomen. Dit ligt volgens hen vooral aan de strengere voorwaarden die de overheid is gaan stellen aan gezinshereniging en -vorming. De gezinshereniging lijkt minder belangrijk te worden, maar het SCP zegt nog geen aanwijzingen te hebben dat minder allochtonen hun huwelijkspartner in het land van herkomst zoeken.

Het SCP signaleert meer verbeteringen. Turken en Marokkanen zijn niet langer vrijwel uitsluitend werkzaam in de industrie en op de laagste functieniveaus. Het aantal zelfstandige ondernemers (vooral Turken) neemt toe: van een kleine 10.000 in 1986 naar meer dan 22.000 vorig jaar. Veel allochtonen hebben geprofiteerd van de stadsvernieuwing, waardoor slechte vooroorlogse woningen werden gesloopt en vervangen door nieuwe huizen. Zelfs op het gebied van discriminatie ontwaren de onderzoekers van het SCP hoop. “Er zijn aanwijzingen dat de houding van personeelsfunctionarissen tegenover minderheden verbetert.”