Stalker

Film en religie onderhouden een innige, zij het ongemakkelijke band. Vanaf de eerste jaren van de cinema zijn er religieuze films gemaakt, van bewegende bidprentjes tot door Cecil B. De Mille geproduceerde bijbelse spektakelstukken.

Vooral de protestantse kerkgenootschappen zagen met lede ogen aan hoe de bioscopen steeds voller werden, natuurlijk niet alleen voor stichtelijke films, en de kerken leger. Het kan geen toeval zijn dat de eeuw van de grote secularisering ook de eeuw was van het bewegende beeld. Idolatrie, geloof in wonderen en collectieve rituelen vonden hun moderne aanleidingen in de cultus rond het witte doek en het kleine thuisscherm.

Van het handjevol filmmakers die het metafysische karakter van de filmkunst op een niet oppervlakkige manier trachtten te verbeelden, was de Rus Andrei Tarkovski (1932-1986) de meest vooraanstaande. Het feit dat de zoon van de bekende dichter Arseni Tarkovski opgroeide en het grootste deel van zijn korte leven werkzaam was in de officieel atheïstische en materialistisch georiënteerde Sovjet-Unie, maakte zijn tegen de verdrukking en de censuur in geventileerde boodschap des te urgenter.

De mystieke en hermetische beeldtaal van Tarkovski maakte hem natuurlijk ook tot een held van neokatholieke filmcritici, met kunstzinnig vormingswerk belaste paters en auteurs van in schimmige orakeltaal gestelde exegesen. De Tarkovski-epigonen zijn talrijk; sommigen denken dat de imitatie van enkele uiterlijke stijlkenmerken (ontkleurde beelden, een laagje water onder de voeten, spontaan trillende glazen op tafel) voldoende is om in zijn sporen te kunnen treden.

De laatste, in Westeuropese ballingschap tot stand gekomen films van Tarkovski, vooral het Zweedse Offret, lijden aan een voor mij onverteerbare expliciet christelijke evangelisatiedrang: het Lijden, de Offervaardigheid, de Versterving en het Wonder worden je frontaal opgedrongen. Zijn beste films moest Tarkovski, wegens de Sovjet-censuur, in metaforen vertellen: de queeste van een middeleeuwse ikonenschilder (Andrei Roebljov), ruimtevaart-sciencefiction (Solaris) of als pure schoonheid vermomde transcendentie (De spiegel/Zerkalo). Zijn meesterwerk is Stalker (1979), de vrije verfilming van een sciencefictionroman van Boris en Arkadi Stroegatski, waarin een geleerde en een schrijver zich door een onnozele gids laten rondleiden in de Verboden Zone. Het terrein, waar wellicht ooit een meteoriet neerviel of een kernramp plaatsvond, wordt afgeschermd door soldaten en prikkeldraad. Er wordt beweerd dat wie de Geheime Kamer bereikt, zijn vurigste wens in vervulling zal zien gaan.

Van meet af aan maakt Tarkovski duidelijk dat de tocht belangrijker is dan het doel. Dat is immers steeds nabij; je kunt er alleen via een omweg geraken, en moet eerst ontdekken wie je zelf bent.

Ook als filmmaker meandert Tarkovski op deze reis naar het innerlijk, naar de geestelijke Bermudadriehoek van het onbewuste. Fascinerend zijn de minutenlange close-ups van de achterhoofden van de reizigers, hun ironische dialogen over het rationele tekort en de stilstaande beweging door een niemandsland. Tarkovski beschreef zijn opvattingen over film in een boek, getiteld 'Het beeldhouwen van de tijd'. Op deze manier gepresenteerd wordt religieus bewustzijn weer aantrekkelijk. Tarkovski verkocht in Stalker geen aflaten voor het eeuwige leven, maar iets dat net zo complex en bekoorlijk was voor moderne armen van geest als een middeleeuws mystiek dichter.