Shell in Nigeria - melkkoe én zondebok

Een reis in de zuidelijke Nigerdelta van Nigeria waar Shell olie wint, legt heel wat paradoxen bloot. Weegt in het Westen de milieuverwoesting in die delta heel zwaar, ter plekke blijkt dat die verwoesting minder ver gaat dan hier vaak wordt gedacht. En de plaatselijke bevolking vindt zaken als verwaarlozing en gebrekkige voorzieningen veel belangrijker. Ook Shells huidige programma's om zo weinig mogelijk rimboe te kappen en alle leidingen te begraven, vinden ter plekke minder weerklank dan in Amsterdam of Londen. “We zijn een gemakkelijk doelwit, maar daarom nog niet het juiste.”

Toen we diep in de mangrove-moerassen van de Nigerdelta in het zuiden van Nigeria met een snelboot over een meanderende rivierarm voeren, was het er plotseling. Een op het oog pittoresk dorpje van rieten huisjes vol bedrijvige mensen, blaffende honden en kakelende kippen, een vissersvloot van uitgeholde boomstammen op de modderige voorgrond. En dat alles bijna letterlijk onder de gloed van een Shell-flowstation, een stevig omheinde constructie van pijpen, leidingen en machinerieën waar het gas van de zojuist aangevoerde ruwe olie wordt gescheiden en via een grote, vrijwel rookloze steekvlam wordt afgefakkeld.

Bood dit niet een welsprekende momentopname van de mega-multinational die als een olifant door de porseleinkast van een delicaat tropenmilieu dendert? “Stoppen”, riepen we de Shellbegeleiders toe die vorige week een viertal Nederlandse journalisten een blik gunden in hun omstreden Nigeriaanse keuken. “Staat niet op ons programma, hebben we geen tijd voor”, kaatste een Nigeriaanse begeleider terug. “Dan maken we tijd”, reageerden de gasten en na een korte doch pittige discussie maakte de boot een U-bocht en legden we aan bij het gehucht, dat Ofiomina bleek te heten.

Bij de ingang een nieuwe waterpomp met inscriptie: “Gedoneerd door de Shell Petroleum Development Company of Nigeria (SPDC), 15 maart 1996.” Het blijkt een van de zeer schaarse moderne verworvenheden van het dorp met z'n onverharde straatjes en open riolen waar de rieten daken van de armoedige huisjes op gatenkaas lijken. We worden door een in Ofiomina wonende Shell-employé naar het stenen en met golfplaatijzer bedekte huis van Chief Akaro Solomon geleid. De chief onderstreept het belang van onze ontmoeting door een klassieke bolhoed op te zetten die is voorzien van een roze veer.

Eerst richt de chief onder een afdakje een plechtig woord van dank aan het adres van de Shell Company die zijn Ofiomina een half jaar geleden voor het eerst in de geschiedenis schoon water bezorgde. Maar dan volgt een lange litanie. Sinds Shell zich hier begin jaren zeventig vestigde, liep de vangst van tillapia- en catfish in de nabije deltastromen gestaag af, klaagt de chief, al doet de omvang van de visserijvloot vermoeden dat er nog aardig wat zit. Ook morste het flowstation enkele keren olie in de rivier en duurde het veel te lang voordat de Shell een veel te lage schadevergoeding betaalde. Chief Solomon: “We hebben Shell ook om elektra, een kliniek en betere verbindingen met Port Harcourt gevraagd, maar er gebeurt niets.”

Dat het onbehagen over Shell in de Nigerdelta niet beperkt blijft tot het veel besproken Ogoniland was ons al eerder duidelijk geworden. “Sinds de zaken in Ogoni in 1993 uit de hand liepen en wij daar moesten vertrekken en vooral sinds Ogoni-leider Saro-Wiwa een jaar geleden werd opgehangen, is de agitatie tegen ons in de delta op veel plaatsen gegroeid”, had Shells eigen milieudeskundige Chris Geerling eerder al laten weten in Lagos. Het bleek opnieuw toen we een dag later een bezoek brachten aan het gehucht Egbema ten noorden van Port Harcourt. Er werd ons een overheidshospitaaltje getoond waarvan de operationale kosten afgelopen april waren overgenomen door Shell. Het zag er nu eenvoudig, maar proper en goed bevoorraad uit.

Maar over de achtergrond van deze generositeit moesten we terecht bij een lokale politieman. Begin dit jaar, vertelde hij, hadden de boze bewoners van Egbema na een weigering van Shell om er elektriciteit aan te leggen het plaatselijke Shellkantoor plus magazijn massaal overvallen en geplunderd. “Wij hebben toen 23 mensen opgepakt”, vertelt de agent, “en Shell gaf het elektriciteitsbedrijf Nepa toen alsnog geld om hier stroom aan te leggen. Dat gebeurde, maar de helft is al uitgevallen. Ikzelf zit ook weer zonder licht.”

Tijdens discussies achteraf op Shells hoofdkantoor in Port Harcourt, veruit het best onderhouden en uitgeruste complex in deze miljoenenstad, komt dit soort zaken omstandig aan de orde. Zoals techneuten betaamt, vaak in staatjes, spreadsheets en grafieken. General manager Victor Olu toont per lichtbeeld hoe het aantal 'gemeenschapsongeregeldheden' in zijn gebied verdubbelde van 15 in het tweede kwartaal van 1995 tot 32 in dezelfde periode dit jaar.

Ook de redenen daarvoor, ingezameld door speciaal getrainde gemeenschapswerkers, zijn keurig gecatalogiseerd. Vijftig procent van de opstootjes viel te herleiden tot niet door Shell ingewilligde eisen voor meer gemeenschapsvoorzieningen; 26 procent van de ongeregeldheden vloeide voort uit onenigheid over door Shell te betalen compensatie en slechts 7 procent uit directe milieuklachten. “Het is hier vooral het gevoel van verwaarlozing en ongelijkheid dat de mensen boos maakt”, verzekert general manager Olu, “veel meer dan het milieu.”

Olu vervolgt: “Natuurlijk voelen wij hier ons medeverantwoordelijk voor de mensen, maar wij zijn een oliemaatschappij en geen regering. Ze vragen ons zon en maan tegelijk. Honderden gemeenschappen willen water, elektra, transport en een kliniek, maar wij kunnen moeilijk verantwoordelijk worden voor alle infrastructuur. Wij moeten prioriteiten stellen. Wij trekken er nu 20 miljoen dollar per jaar voor uit en we richten ons vooral op de olieproducerende gemeenschappen. Voor de rest proberen we de verantwoordelijke overheid te mobiliseren.”

Feit is dat het leeuwendeel van de olierevenuen bij die Nigeriaanse overheid belanden. Van de huidige, hoge olieprijs van 22 dollar per vat gaat 1 dollar naar de producent, 4,5 dollar naar produktiekosten en 16,5 dollar (!) naar de Nigeriaanse overheid. Die stichtte in 1982 een fonds waarin 1,5 procent van de oliebaten zouden worden gesluisd ten behoeve van de olieproducerende gemeenschappen in de Nigerdelta. In 1992 werd dat opgeschroefd naar 3 procent en mede door het Ogoni-drama wil de overheid dat percentage nu verhogen tot 13 procent. “De vraag is of het allemaal veel uitmaakt”, zegt Shelldirecteur gemeenschapsrelaties Precious Omuko in Lagos. “Het geld druppelt nauwelijks door naar de delta-gemeenschappen. Ik geef geen reden, ik stel het alleen vast.”

Een Nigeriaanse zakenman, met wie ik in de stad Warri de dinertafel deel, toont minder terughoudendheid. “Corruptie is geen kwaal van het Nigeriaanse systeem”, zegt hij. “Het is het systeem zelf. Het wordt gevoed met een dagelijkse injectie van 30 miljoen oliedollars. Een deel wordt direct aan de top afgeroomd, de rest op weg naar beneden.”

Hij heeft een bouwbedrijf met 30 man personeel en geeft een voorbeeld uit zijn businesspraktijk: “Om succes te hebben moet je naar Abuja, de nieuwe hoofdstad, gaan met een tas vol geld. Je gaat langs de benodigde ministeries, je deelt er uit en je wacht af in het Abuja-Hilton of thuis. Uiteindelijk krijg je dan een te hoog geprijsd contract, een uitzondering op een regel of wat je maar wilt. Je betaalt je weldoener nog eens genereus en je vertrekt om geld te gaan verdienen.”

De kern van het Nigeriaanse probleem, zo zegt een in Nigeria wonende Nederlandse wetenschapper tijdens een lunch in Lagos, schuilt in deze epidemische corruptie, voortkomend uit een totaal gebrek aan gemeenschapswaarden en moraal in de kunstmatige natiestaat Nigeria. “Zelfs de loyaliteit jegens de eigen etnische groep, waarvan Nigeria er ongeveer 250 heeft, kalft af. De mensen vallen steeds meer terug op het uitgebreide familieverband. Daarbinnen werkt alles, daarbuiten vrijwel niets.”

De grootste etnische groep, die van de noordelijke Hausa-Fulani, maakt de dienst in het land uit en laat zich aan de acht kleinere volken in de Nigerdelta weinig gelegen liggen. Omdat de afstandelijke militaire kliek van machthebber Sani Abacha niet door de zuiderlingen is aan te pakken - en hetzelfde geldt blijkbaar voor de internationale gemeenschap - is de in de Nigerdelta wel zichtbare Shell voor veel milieu- en mensenrechtenactivisten de grote zondebok geworden.

“Wij zijn een gemakkelijk doelwit, maar daarom nog niet het juiste”, kaatst algemeen milieumanager Basil Efoise Omiyi in Shells hoofdkwartier in Lagos terug. “Wij erkennen dat er nog een kloof zit tussen onze huidige intenties en onze prestaties. Maar we hebben nu serieuze projecten op stapel staan om die kloof nog dit decennium te dichten.” Naar Omiyi's oordeel mag best worden bedacht dat Shells faciliteiten en leidingen voornamelijk in de jaren zestig en zeventig zijn aangelegd. “Toen waren ze aanvaardbaar, nu zouden we ze niet meer zo bouwen. Standaarden evolueren nu eenmaal en dat geldt ook voor het Westen. Daar werd 25 jaar geleden ook anders aangekeken tegen auto-uitlaatgassen en de noodzaak van katalysators dan nu.”

Daar komt volgens Omiyi bij dat ook de sociaal-economische ontwikkelingsstadia van een land van invloed zijn op milieu-activiteiten en dat bedrijven die in zo'n land werken daar een tik van mee krijgen. Bij Shell Nigeria werken bijvoorbeeld maar 300 niet-Afrikanen naast 5000 vaste Nigeriaanse employees en nog eens 15.000 à 20.000 Nigerianen bij onderaannemers.

Toch zijn er binnen Shell ook kritischer ingestelde managers, zoals de milieudeskundige Chris Geerling, die in Lagos laat weten: “Het gaat bij Shell Nigeria nu beter, maar dat had veel eerder gekund. Ik riep vijf jaar geleden al: pas op, als journalisten hier achter komen, moet je een verhaal hebben en dat heb je nu niet. Een paar jaar later gebeurde dat inderdaad.” Tegelijk wijst Geerling op de 'enorme inspanningen' die in een gebied als de Nigerdelta nodig zijn om er Westerse standaarden 'in te hameren'. “Onze uiterst strenge veiligheidseisen en procedures staan vaak haaks op plaatselijke gebruiken. Toch hebben we ze er in weten te heien. Je komt hier geen flowstation binnen zonder helm op.”

Hetzelfde geldt voor zoiets als onderhoud. Nigeria is zelf trouwens een spectaculair voorbeeld van de lage prioriteit die daaraan wordt gehecht. “Die gebrekkige onderhoudscultuur speelt natuurlijk ook een bedrijf als het onze parten”, aldus Geerling, “maar ook op dat punt maken we duidelijke vorderingen. Ik verzeker je: de cultuuromslag bij ons is serieus. Kritische geesten zijn welkom. We hebben niets te verbergen. Daarom ook nam Shell het initiatief voor een grootscheeps tweejarig milieu-onderzoek in de Nigerdelta op basis waarvan we ons toekomstige beleid beter kunnen uitstippelen. Wij financieren de breed samengestelde onderzoekstichting zonder dat we er invloed op hebben.”

Een van de coördinatoren van dat Niger Delta Environmental Survey wil er anoniem wel wat over zeggen. De eerste fase van zes maanden waarin uitgebreid onderzoek werd gedaan naar de milieu-stand-van-zaken, bronnen van vervuiling en degradatie, samenhangen, oplossingen etc. zit er op. De eerste conclusies wijken niet zeer af van die van een uit mei 1995 daterend en beknopter Wereldbank-rapport over hetzelfde onderwerp. Daarin werd onder meer gemeld dat zowel olievervuiling als het affakkelen van gas buiten de top-tien van milieubedreigende factoren valt. Het belangrijkst bleken zaken als bevolkingsdruk, overmatig en slecht gebruik van de landbouwgronden of het aanleggen van steeds meer dammen stroomopwaarts in de Niger.

Wel zal Shell, volgens onze zegsman, scherper dan in het Wereldbankrapport op zijn voorbije en nog bestaande tekortkomingen worden gewezen. Hij zei te verwachten dat het centrale Shellmanagement in Nederland en Engeland met deze survey in handen de Nigeriaanse dependence nog meer onder druk zal zetten om de juiste paden in het juiste tempo te bewandelen. De binnenkort te beginnen tweede fase van het Niger Delta Milieu Survey gaat achttien maanden duren en richt zich met name op de organisatie van de lokale bevolking, problemen, oplossingen, aangevuld met “een uitgebreide natuurlijke hulpbronnen-managementplanning die door alle partijen in de delta wordt gedragen”.

Inmiddels heeft Shell Nigeria al heel wat projecten lopen om de milieustandaarden op volwaardig Westers niveau te brengen en gaat 20 procent van het budget daarheen. Waarbij soms onverwachte paradoxen en 'vertaalproblemen' opduiken. Zo ontstaat 50 procent van de olielekkages door corrosie en daarom worden alle leidingen van 15 jaar en ouder vervangen. Voor zover het moerasleidingen betreft, die van de bronnen naar de flowstations lopen, wordt de nieuwbouw eind dit jaar voltooid. Alle landleidingen moeten eind 1998 zijn vernieuwd en ondergronds aangelegd.

De Brit Chris Haynes, die bij het gehucht Oweh met een ploeg Nigeriaanse grondwerkers onder de kokende zon met dit project bezig is, vertelt: “Het vernieuwen en begraven van leidingen is waarschijnlijk goed voor ons want we mogen hopen dat ze zo wat minder snel worden gesaboteerd.” Volgens Shell-opgaven wordt 30 procent van de 'oil spills' in de Nigerdelta namelijk veroorzaakt door plaatselijke saboteurs die azen op schadevergoeding. Er bestaan naar verluidt zelfs lokale 'aannemers' die op bestelling gaatjes in leidingen boren in ruil voor een percentage van de schadevergoeding. Vorig jaar keerde Shell in de delta in totaal 5 miljoen dollar uit.

Haynes vervolgt: “Het begraven van leidingen is niet alleen goed voor ons maar ook voor milieuactivisten, want het zicht wil ook wat en je hoeft minder rimboe te kappen. Maar van wie krijgen we klachten? Van de bevolking hier. De mensen willen graag hun was en oogsten op de warme leidingen blijven drogen. Ook willen ze dat we zoveel mogelijk rimboe kappen om er snel huisjes en winkeltjes neer te kunnen zetten.”

Een soortgelijke ervaring beleefde general manager Steve Ollerearnshaw die ons ontving op het Ajatiton-olieboorplatform dat sinds kort naar olie speurt in de geïsoleerde rimboe van de Western Divison, een uur helikoptervliegen naar de dichtst bijzijnde plaats Warri. “We werken hier volgens milieuregels die op internationaal niveau liggen, legt de Brit uit. “Dus hebben we zo weinig mogelijk rimboe rondom gekapt.” Tot ongenoegen van streekbewoners. Ollerearnshaw: “De kale grond rondom ons platform hebben ze al ingezaaid met cassave en ze hadden graag meer terrein gehad.”

Een technologische noviteit van het platform, eerst verticaal en vervolgens horizontaal verder boren, wordt door omwonenden om dezelfde reden als asociaal ervaren. Het bespaart namelijk vijf tot zes boorputten en vermindert op drastische wijze de noodzaak om woud weg te kappen. Toch resteren er onverwachte inkomensopties. “Eerder dit jaar omringden enkele honderden mensen met stokken en messen ons Serox-6 platform verderop”, vertelt Ollerearnshaw. “Ze eisten dat wij het werk staakten omdat anders de goden van streek raakten. Met geld zouden we ze kunnen geruststellen. Dat hebben we toen gedaan.”

Voorts zal het affakkelen van gas in de Nigerdelta - dagelijks de halve gasconsumptie van Nederland - geleidelijk worden teruggebracht en uiterlijk in 2008 geheel worden gestaakt. Dit affakkelen van gas gebeurt omdat er tot nu toe nauwelijks of geen markt voor is. Maar dat moet veranderen door de zojuist begonnen aanleg van een fabriek voor de produktie van vloeibaar gas bij Bonny. Hoewel de milieuvriendelijke aspecten van dit 3,8 miljard dollar kostende project evident zijn, ontmoet het onder voorvechters van milieu en mensenrechten felle tegenstanders. Het zou een versterking betekenen van het bewind van generaal Abacha. Dat het eerste vloeibare gas op z'n vroegst pas in 2000 van Bonny naar Europa gaat en dat de generaal dan waarschijnlijk allang is verdwenen, telt in hun optiek niet.

Om dezelfde reden wordt ook wel gepleit voor een algeheel vertrek uit Nigeria van de Shell-onderneming, die immers meer dan de helft van het inkomen van het militaire regime verzorgt. Die wens leeft overigens ook sterk bij een verstandige Nigeriaan als professor Pat Utomi van de Lagos Business School. Hij vergelijkt de olie met een geïnjecteerde hard drug. De alles penetrerende petro-corruptie verdrijft veel andere economische activiteit en schept verslaving, zowel binnen de overheid als bij degenen die haar gunsten kopen. Utomi: “Van 1956 tot 1966, het jaar waarin de eerste olie werd gevonden, groeide ons inkomen per hoofd van de bevolking met 3 procent per jaar. Sinds de olieprijsexplosie van 1973 beloopt die groei nog maar 0.026 procent per jaar.” Zijn suggestie: “Laten we alle oliebaten aan de militairen geven, op voorwaarde dat zij Nigeria weer teruggeven aan het volk.”

Een bange vraag daarbij is wel of oliejunk Nigeria een afkickkuur en een vertrek van Shell zou overleven. Het proces van natievorming stagneert immers en het land bleek sinds z'n onafhankelijkheid in 1960 niet bij machte een stabiel politiek systeem of duurzame nationale instituties te scheppen. Nigeria blijft langs etnische lijnen verdeeld en regeren bestaat in Afrika's volkrijkste natie vooral uit het manipuleren en tegen elkaar uitspelen van tribale groepen.

Toch blijft het vooralsnog moeilijk voorstelbaar dat het machtige moslim-noorden een afscheiding van het olierijke zuiden zou tolereren. Biafra probeerde het in 1967, maar werd na een burgeroorlog en een miljoen doden weer ingelijfd. En toen Ken Saro-Wiwa als leider van de minuscule Ogoni's ging spelen met het idee van politieke autonomie, een eigen 'bill of rights' en een gedeeltelijke naasting van de eigen olierijkdommen, was dat in de ogen van noorderling Abacha hoogverraad. Zodra er een aanleiding was gevonden, werd dat een jaar geleden met de galg afgestraft.