Ramp in Oost-Zaïre was te voorzien

Het Rwanda-tribunaal dat de VN na de genocide van 1994 instelden, ging wegens gebrek aan geld en competente stafleden hopeloos de mist in, schrijft Iain Guest. Elk plan voor Midden-Afrika dat de massamoordenaars vrijuit laat gaan, is gedoemd te mislukken.

In Oost-Zaïre voltrekt zich op het ogenblik een verwoestende crisis die griezelig bekend aandoet. Een miljoen doodsbange Rwandese vluchtelingen is in beweging gekomen. Hulpverleners worden geëvacueerd. Vluchtelingenkampen liggen onder vuur.

Uiteindelijk zal het rumoer bedaren. De hulpverleners keren terug om nieuwe provisorische kampen aan te leggen en zetten zich aan het morsige corvee van latrines graven in het regenseizoen. En de wereldgemeenschap is weer terug bij af, nog verbijsterd door de schade en schande van weer een ronde in de nooit eindigende bloedvete tussen Tutsi's en Hutu's in Midden-Afrika.

Het verschil is deze keer de volstrekte voorspelbaarheid. Dit zijn dezelfde vluchtelingen die twee jaar geleden de wijk namen uit Rwanda. Het feit dat zij nu opnieuw zijn opgejaagd maakt early warning (het denkbeeld dat humanitaire noodtoestanden te voorzien en te voorkomen zijn) tot een lachertje.

Vanaf het moment dat de Rwandese Hutu's begin 1994 de machete ophieven tegen de Tutsi's, was het wachten op de huidige crisis. Niet minder dan 800.000 Tutsi's werden vermoord. Maar de Hutu-moordenaars kregen de gelegenheid om samen met de vluchtelingen uit Rwanda naar de kampen in Oost-Zaïre, Tanzania en Burundi te trekken. Daar ontvingen ze internationale voedselhulp, voerden bliksemaanvallen op Rwandees en Burundisch grondgebied uit en poseerden voor de bezoekende fotografen. Een aantal van hen stond zelfs op de loonlijst van internationale organisaties.

En wat deden wij? We gedroegen ons alsof de genocide iets van lang geleden was, in plaats van een actuele dreiging. Op 8 november 1994 riep de Veiligheidsraad een tribunaal in het leven om Rwandese oorlogsmisdadigers te vervolgen. Dit tribunaal was van meet af aan een intercontinentale hybride, met een aanklager in Den Haag, een gedelegeerd aanklager in Kigali en een gerechtsgebouw met griffie in het Tanzaniaanse Arusha. Dit was al niet best, maar de VN-top maakte het nog erger door het tribunaal vanuit het VN-Bureau Juridische Zaken in New York te laten besturen. Dit bureau was kapotbezuinigd en had zichzelf al volstrekt incapabel getoond om het Joegoslavische tribunaal te leiden. Het benoemde een deeltijdbestuurder die Kigali het eerste jaar precies éénmaal heeft bezocht. Alles - zelfs een verzoek om paperclips - moest eerst voor goedkeuring naar New York. Nu krijgen we te horen dat tegen zijn opvolger George Anderson een onderzoek van een hoge VN-inspecteur loopt wegens ernstige onregelmatigheden bij de benoeming van personeel.

Maar niemand kon het iets schelen. Aanklager Richard Goldstone, die is geprezen om de ijver waarmee hij Bosnische oorlogsmisdadigers heeft vervolgd, is maar twee keer in Kigali geweest. Toen ik daar eerder dit jaar met zijn Mauritiaanse plaatsvervanger Honoré Rakotomanana sprak, kreeg ik een klaagzang te horen. Hij werkte al maanden in zijn eentje, zonder secretaresse; hij had om honderd rechercheurs gevraagd en er maar 28 gekregen - en die waren dan nog merendeels gedetacheerd door de Nederlandse politie, die hen wel weer eens terug wilde. Hij had weinig auto's en nog minder radio's. Hij werd genegeerd door de Rwandese regering, die woedend was omdat het tribunaal was gevestigd in Arusha - en niet in Kigali - en niet bevoegd was de doodstraf te eisen.

Het tribunaal formuleerde geen informatiebeleid en profileerde zich niet. Het werd volstrekt gemarginaliseerd: toen het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN (UNHCR) in december 1995 dertien 'intimidanten' uit de kampen verwijderde en concludeerde dat drie van hen waarschijnlijk konden worden vervolgd voor oorlogsmisdaden, verzuimde men het tribunaal hiervan op de hoogte te stellen. Eén van deze drie was François Karrera, voormalig commissaris voor Kigali en omstreken en één van de aanstichters van de genocide in 1994.

Dit alles verklaart waarom het tribunaal voortdurend achter zichzelf aanholt. Het heeft 21 personen in staat van beschuldiging gesteld, maar er zijn er slechts elf gearresteerd en van hen zitten er maar vier achter de tralies in Arusha. De eerste drie processen zijn uitgesteld.

Kameroen en Zambia zijn de enige twee landen in de regio die de wetgeving inzake samenwerking met de aanklager hebben ondertekend. Maar Kameroen weigert nog altijd kolonel Théoneste Bagosora uit te leveren, voormalig chef-staf bij het ministerie van Defensie. Bagosora staat hoog op alle lijsten van gezochte personen. Hij zou persoonlijk de leiding hebben gehad over de marteling van en moord op tien Belgische soldaten die de VN hadden uitgezonden om de Rwandese premier te beschermen tijdens de bloedbaden van 1994.

Terwijl de internationale gemeenschap treuzelde, kwamen de Rwandezen in actie. Meer dan 80.000 mensen kwijnen op beschuldiging van genocide weg in gammele cachots in afwachting van een officiële aanklacht. Honderden zijn reeds overleden aan ondervoeding of verstikking.

Onder druk van hulpdonoren - waaronder als één der eersten Nederland - stelden de Rwandezen een wetsontwerp op dat de minst ernstige génocidaires moest motiveren om te bekennen en zo de gerechtelijke impasse moest doorbreken. De eerste versie van de wet bepaalde dat wie eigener beweging de moord op minder dan vijftig personen bekende, ten hoogste zeven tot twaalf jaar gevangenisstraf kon krijgen. Maar de definitieve tekst was weer aangescherpt op aandringen van nabestaanden van vermoorde Rwandezen en eist nu de doodstraf tegen 'notoire moordenaars' - nauwelijks een geruststelling voor een jonge Hutu die zich heeft laten meeslepen door de hysterie van 1994 en nu een reden zoekt om terug te keren. Dit verklaart waarom de vluchtelingen niet naar Rwanda terugkeren en het er liever op aan laten komen in Zaïre.

De recente gevechten in Oost-Zaïre zijn uitgebroken toen de Rwandezen hun kans schoon zagen om af te maken wat ze in 1994 begonnen waren en met de Hutu-génocidaires af te rekenen in de vluchtelingenkampen. Verstoken van gezag vanuit Kinshasa en onder druk van de plaatselijke bevolking om iets te doen tegen de massale toevloed van Rwandezen, waren de autoriteiten in Oost-Zaïre opgetreden tegen de Banyamulenge, etnische Tutsi's, die al generaties lang vreedzaam in Zuid-Kivu wonen. Het kwam voor niemand als een verrassing dat Rwanda troepen de grens over stuurde om de Banyamulenge te steunen.

Laten we in elk geval lering trekken uit het verleden voordat we reageren op de volgende ronde in deze eeuwigdurende ramp. Een groeiend aantal regeringen heeft het over sluiting van de kampen in Zaïre om zo van de nood een deugd te maken en de gevluchte Hutu's terug te sturen naar Rwanda. Maar als losstaande maatregel houdt dit alleen de cyclus van wraak en weerwraak gaande wanneer de Hutu's bij hun terugkeer verhoor, gevangenneming en zelfs executie te wachten staan.

Als de onmiddellijke humanitaire noden in Oost-Zaïre straks gelenigd zijn - en dat wordt al moeilijk genoeg - moet er een samenhangend plan voor de hele regio worden opgesteld en gepresenteerd tijdens een conferentie op regeringsniveau. De vorige keer dat dit werd voorgesteld, stuitte het op een veto van Rwanda. Deze keer komt het verzet van de Zaïrezen, die zeggen dat er niet gepraat wordt zolang er Rwandese troepen op Zaïrees grondgebied zijn. De VN zullen beide landen een lesje moeten leren, willen ze niet worden overspoeld door een oorlog op grotere schaal.

Elk plan dat niet de kwestie van de genocide omvat, zal falen. Daarom moeten landen die het goed met Rwanda voor hebben - en daarbij hoort zeker ook Nederland - het tribunaal versterken, zijn administrateurs ontslaan, het rechercheteam van militaire escortes voorzien en sancties opleggen aan regeringen die verzoeken om uitwijzing niet honoreren. Terwijl het tribunaal zich inwerkt, zou een gezaghebbend internationaal onderzoek kunnen beginnen om het probleem in kaart te brengen en alternatieven voor vervolging aan te dragen. Dat onderzoek zou een voorbeeld kunnen nemen aan de Waarheidscommissie die heeft geholpen vrede te stichten in El Salvador, of de huidige Waarheids- en Verzoeningscommissie in Zuid-Afrika.

Een derde element moet een serieuze, internationaal gecoördineerde aanpak van Rwanda's gammele rechtsstelsel zijn. Financiering van de bouw van nieuwe gevangenissen, zoals Nederland heeft gedaan, werkt de mishandeling alleen maar in de hand zolang de gevangenen niet voor een rechtbank kunnen terechtstaan. De nieuwe wet op de genocide moet worden herzien. Maar in ruil hiervoor moeten de donoren een structureel programma op touw zetten voor de opleiding van rechters en aanklagers en de inrichting van gerechtsgebouwen. Tenslotte - en dat is het belangrijkste - moeten de donoren hulp bieden om te voorzien in de fysieke en psychische behoeften van hen die de genocide van 1994 hebben overleefd.

Dit alles lijkt wellicht een omslachtige manier om de nood van een miljoen vluchtelingen te lenigen. Maar we hebben niet zo zeer te maken met een humanitaire ramp als wel met een straffeloosheidscrisis. Zolang dit niet wordt ingezien, zal deze ons blijven achtervolgen, telkens opnieuw.