Paul Haenen en zijn alter ego's haken snel op actualiteit in

Voorstelling: Frisse Warmte, door Paul Haenen, m.m.v. Edwin Berg (piano) en Dammie van Geest. Gezien: 12/11 in Nieuwe de la Mar-theater, Amsterdam. Aldaar t/m 23/11; tournee t/m 24/5. Inl. 020-6204748.

Geen enkel theateroptreden oogt zo rommelig, onaf en onvoorspelbaar als dat van Paul Haenen. Wars van de beroepscabaretiers bedrijft hij immers een journalistiek soort vermaak, waarin de berichten uit de krant van die dag onder de camera worden gelegd, bezoekers geïnterviewd, de tv-uitzendingen van dat moment zappend becommentarieerd en spontane terzijdes geplaatst. Toen hij gisteravond even werd afgeleid door een gesprek dat zich kennelijk in de coulissen voltrok - buiten gehoorsafstand van het publiek - onderbrak hij onmiddellijk het nummer van dat ogenblik en vroeg wat er gaande was. “Ik denk altijd meteen: zit er nieuws in?” verdedigde hij zich. Maar nee, het was blijkbaar niets bijzonders.

Frisse Warmte is dan ook geen wezenlijk andere voorstelling dan de vorige die Haenen speelde. Vóór de pauze is hij zichzelf, daarna treedt de onstuitbare Margreet Dolman aan. Op het videoscherm verschijnen voorts twee andere van zijn afsplitsingen. Ze hebben, denk ik, gemeen dat ze onbedaarlijk veel praten om zich de depressies van het lijf te houden, want ze zoeken allemaal een antwoord op de door dominee Gremdaat gestelde vraag: “De wereld gaat ten onder en toch ben ik vrolijk - kent u die uitdrukking?” Steeds gehaaider wordt Haenen in de techniek van die dubbelrollen; met het grootste gemak voert hij een gesprek met een van zijn alter ego's, en het is ronduit verbluffend hoe de vooraf vastgelegde Gremdaat op het scherm lijkt te reageren op opmerkingen uit de zaal.

Keuvelend over koetjes en kalfjes, en snel inhakend op wat er gebeurt, slaat Paul Haenen zich door zijn optreden zonder veel afgeronde grappen. Traditionele kwinkslagen heeft hij niet nodig om saamhorigheid te kweken en de lachers op zijn hand te krijgen; een gewiekste vraag aan iemand uit het publiek, een zot woord uit de actualiteit (muishand), een paar opmerkingen bij een Sinatra-plaat, een wild verhaal van Dolman en een malle fantasie naar aanleiding van een krantenbericht zijn al voldoende. Soms volstaat zelfs een enkel goh. En dat er soms gaten vallen, die het ritme van de voorstelling danig verstoren, doet er niet toe in de sfeer van saamhorigheid die hij in een ommezien weet te creëren.

“Rechtstreeks theater” noemt hij het zelf. Anderen doen er alles aan om bij de zaal de suggestie te wekken dat zich vanavond iets unieks, iets onherhaalbaars voltrekt. Haenen slaagt daar op een heel andere manier in: door elke avond per definitie onherhaalbaar te maken.

    • Henk van Gelder