Is democratie altijd nodig?

Hoewel de burgers van de Westerse democratieën meer dan ooit kunnen doen en laten en alles zeggen en schrijven wat ze willen, lijdt de democratie aan gestaag vorderende bloedarmoede.

Na deze presidentsverkiezingen heeft The New York Times de kwaal op een aantal manieren grafisch verduidelijkt. De opkomst vertoont een regelmatig dalende lijn, van bijna 63 procent in 1960 - de verkiezingen die door Kennedy werden gewonnen - tot minder dan de helft, waarvan opnieuw iets minder dan de helft van de opgekomen kiezers Clinton de zege heeft bezorgd. Er zit nog één flauwe piek in: die van 1992 toen 55 procent kwam opdagen, veroorzaakt door Clinton tegen Bush. Dit jaar heeft de trend zich hersteld. Als het zo doorgaat, zal in 2020 nog maar 40 procent van de kiezers verschijnen. Heeft de democratie een quorum, en hoeveel moet de kandidaat winnen als we het nog een mandaat willen noemen? Of, als we willen voorkomen dat deze vragen zullen worden gesteld: wat moet er worden gedaan om de belangstelling voor het systeem weer aan te wakkeren?

Uit het onderzoek blijkt dan dat de meerderheid van de kiezers de democratie in haar tegenwoordige vorm vernietigend beoordeelt. De helft is van mening dat degenen die het land leiden, min of meer bedriegers zijn (crooked). Dienaren van de overheid kan het niet schelen wat de mensen denken, gelooft 66 procent, en 55 procent is ervan overtuigd dat de kiezers geen invloed op de politiek hebben. Tenslotte weet 79 procent dat niet de gekozen regering de baas is maar dat een paar 'grote belangen' het voor het zeggen hebben. Ook hier een duidelijke trend, scherper dan die van de opkomst. In 1964 hield bijvoorbeeld nog maar 25 procent zich ervan overtuigd dat de politici niet deugden. Dat aantal is dus verdubbeld, waardoor men kan vermoeden dat een zeker aantal kiezers stemt met de moed der wanhoop, tegen beter weten in of uit een gewoonte die geen betekenis meer heeft.

En dan zijn er nog twee factoren waardoor steeds meer kiezers het laten afweten: de giftigheid van de politieke strijd en de rol van de media. Giftig kan de strijd in Amerika gemakkelijker worden, omdat de openbaarheid er groter is dan in Europa, de wil om alles te onthullen sterker en de mechanismen daarvoor beter. Misschien lijkt het daardoor dat Amerika rijker is aan grote schandalen, maar zolang het tegendeel niet is bewezen, kunnen we evengoed veronderstellen dat de Europese doofpotten groter zijn. In ieder geval vormen schandaal en onderzoek in de Amerikaanse politiek een niet aflatend drama, na de oorlog van Joseph McCarthy via Watergate tot Whitewater en wat er verder nog boven water mag komen. Nergens, zou men zeggen, is de politiek boeiender dan daar.

Maar dit hoeft niet in tegenspraak te zijn met de toenemende onverschilligheid. Dat de politiek rijk is aan drama's betekent niet dat de burgerij er meer invloed op kan uitoefenen. Het stuk wordt geschreven en gespeeld in Washington, de kiezers zijn het publiek in de zaal en daar heeft men evenveel invloed op het verloop van de handeling als op de intrige van een vertoning in de schouwburg. De democratie is geen toneelstuk, goed of slecht, maar een drama in onafgebroken ontwikkeling, waarbij het volk de hoofdrol is toebedeeld. Groot drama aan de toppen, geen invloed aan de basis: die combinatie is funest.

Bovendien geloven steeds meer kiezers dat ze door de media om de tuin worden geleid. De discussie die vooral in de jaren zestig in de Westeuropese politiek werd gevoerd, is in de Verenigde Staten nog, of zelfs als begeleiding van deze campagne, weer volop aan de gang. De media, zeggen vooral de Republikeinen, zijn “in handen van de liberals” met de gehate New York Times voorop en bevoordelen op allerlei tersluikse manieren de Democratische kandidaten. De mediaconcerns, met de beruchte News Corporation van Rupert Murdoch aan de leiding, veroorloven zich een trommelvuur van verdachtmakingen tegen alles wat met het echtpaar Clinton te maken heeft. Ook in dit debat gaat het harder en ouderwetser toe dan we tegenwoordig hier gewend zijn. Maar opnieuw: een groot deel van de kiezers/lezers blijkt zich machteloos te voelen en keert zich van het kabaal af.

Dit alles hoort tot de problemen, of misschien de crisis van het Amrikaanse systeem waarover inmiddels kasten vol boeken zijn volgeschreven. De moeilijkheden zijn er niet mee opgelost. Maar is dat nodig? Terwijl het debat over diagnose en genezing voortduurt, gaat het de maatschappij niet slecht. Ondanks schandalen en schijnschandalen wordt er niet gebrekkig geregeerd. Het democratisch systeem werkt aanwijsbaar minder goed, maar het beleid boekt aanvaardbare resultaten en de economie lijkt, oppervlakkige ups en downs daargelaten, onkwetsbaar in duurzame groei. De grote vraagstukken van de armoede, dakloosheid, drugs en misdadigheid worden niet spectaculair bestreden, maar er wordt in ieder geval met aanvaardbaar resultaat aan gedokterd. In de 'crisis van het systeem' ontstaat een toestand waarbij de regering en lagere overheden aan de ene kant, en aan de andere het grote midden van de samenleving hun eigen weg gaan. De twee partijen hebben elkaar niet werkelijk nodig: de regering heeft geen duidelijk mandaat voor historische beslissingen, en het grote midden heeft geen manifeste leiding.

Is dat een crisis van het democratisch systeem of een natuurlijke toestand van een democratie die zich na een halve eeuw in ongekend rustig vaarwater bevindt? Of is het escapisme? Tom Brokaw, anchorman van de omroepmaatschappij NBC citeerde een zegswijze, door Chinezen gericht aan het adres van hun vijanden. “Moge u in interessante tijden leven.” Misschien is deze tijd, ondanks het oorverdovend kabaal, niet werkelijk interessant; niet in Amerika en evenmin in de rest van het Westen.

    • H.J.A. Hofland