Gorgelen in een bad azijn na brand in Mexico

MEXICO-STAD, 13 NOV. Al bijna twee dagen is er brand in Mexicostad. “Is er nu zon of geen zon?”, vraagt een vrouw door haar zakdoek heen. As, vermengd met vettige druppels dalen op haar vlechten neer. De lucht is vaalgrijs. Ademen is alsof je gorgelt in een bad vol azijn.

Maandagmiddag om tien over drie ontplofte een tankopslag van de nationale Mexicaanse oliemaatschappij Pemex. Het bedrijf staat midden in de volkswijk San Juan Ixhuatepec - liefkozend 'San Juanico' genoemd. Het is een dichtbevolkt gebied aan de noordkant van de stad. Krotten, huizen, en zware industrieën leven er innig samen.

'Een veiligheidsklep die dienst weigerde', zo luidt de officiële verklaring voor de ramp. Het leidde in elk geval tot een explosie die twintig kilometer verderop de koekepan van het fornuis deed vallen. Sindsdien hangt boven de stad een kilometerlange vette zwarte rookkolom. Meer dan 34 miljoen liter benzine - de dagelijkse voorraad voor heel Mexico - wordt via een steeds uitbreidende vlammenzee de lucht ingepompt. De koolmonixide die hierbij vrijkomt is gelijk aan die van zes miljoen auto's die op volle toeren in de Mexicaanse hemel zouden staan te draaien. En dat boven een stad die toch al stikt in zijn eigen vervuiling.

“Ren maar hard weg. Dat is het enige dat ze kunnen zeggen. Maar we zien toch dat ze de vlammen niet onder controle krijgen!” Met tranende ogen zit Jorge García Gallegos (45) op de vloer van het gymnastieklokaal. Om hem heen vrouwen en kinderen met dekens en zakdoeken die een tijdelijk heenkomen zoeken. Alles komt weer bij hem terug. Opnieuw november. Opnieuw een evacuatie. Opnieuw een explosie in zijn wijk. Op 19 november, twaalf jaar geleden, ontplofte in San Juanico een gasbedrijf. Vuurballen rolden als een wals door de wijk. Meer dan vijfhonderd mensen werden levend verbrand. Een paar duizend anderen raakten verminkt, krotten en provisorische huisjes verwoest. Ook Jorge raakte alles kwijt. En nu? “Alles is onder controle, er dreigt geen gevaar”, zei het hoofd van de politie al twee uur na het begin van de brand. Nog geen twintig minuten later volgde een tweede explosie, en daarna een derde. Inmiddels staan alle vier de tankers van de opslag in lichterlaaie.

Ook het aantal slachtoffers is onduidelijk. “Twee doden en vijf gewonden”, zeggen de autoriteiten. “Minstens zes doden en negenhondervijftig gewonden”, zegt het Rode Kruis. De directie van Pemex zegt niets. “We kunnen de bevolking garanderen dat we over genoeg benzine beschikken zodat morgen iedereen zijn auto nog kan gebruiken”, was het enige commentaar van de algemeen directeur van Pemex. Later vertelt een fotograaf van het dagblad El Día hoe de veiligheidsdienst van Pemex hem met hulp van de politie zijn fotorolletjes heeft afgenomen. Vlak na de explosie wist hij met een ambulance het bedrijf binnen te komen. Daar nam hij foto's van verkoolde lijken: “Het is duidelijk dat de waarheid weer eens moet worden bedekt”, zegt de fotograaf.

In het gymlokaal wrijft Jorge García over zijn prikkende neus. “We wísten dat het opnieuw zou gebeuren”, zegt hij. “Maar wie wil er nu steeds aan denken dat hij op een bom leeft?” Twaalf jaar lang heeft de buurt geprobeerd de gevaarlijkste fabrieken uit de stad weg te krijgen. Brieven, petities, commissies. Er kwamen zes nieuwe fabrieken bij. Twee weken geleden benoemde het ministerie van Binnenlandse Zaken de Pemex-fabriek in San Juanico tot 'de veiligste van het hele gebied'.

“De kroniek van een aangekondigde ramp”, zegt de Mexicaanse schrijver Homero Aridjis over de Pemex-brand. Voor hem is het niet meer dan de zoveelste stap op de weg van de zelfmoord van Mexico. Aridjis is voorzitter van de 'groep van honderd', een organisatie van intellectuelen, schrijvers en technici die zich bekommeren om de ecologische zelfwurging van de grootste en meest vervuilde stad ter wereld. Dertig miljoen mensen - meer dan de hele Benelux bij elkaar - gevangen in een dal op 2400 meter hoogte. Vier keer zo weinig zuurstof, en acht keer zoveel ozon dan op Amsterdams peil. Meer dan drie miljoen auto's, en dertigduizend fabrieken ronken samen op nog geen duizendste deel van de oppervlakte van het hele land.

“Ook als het kalf is verdronken dempt men de put niet”, zegt Aridjis. Op zijn vingers telt hij de lange rij rampen. Alleen al in de afgelopen twintig maanden explodeerden zes olie- en gasinstallaties. Allemaal Pemex.

Laksheid, bezuinigingen, en de arrogantie van de macht van dit staatsbedrijf zijn volgens Aridjis de oorzaak van de 'ongelukken'. Niet voor niets ontplofte Pemex twee keer in de armenwijk San Juanico. Aridjis: “Daar woont de uitbreiding van Mexico: de arme boeren, de indianen die de laatse twintig jaar een heenkomen in de stad gezocht hebben.”

Volgens Pemex is het probleem dan ook niet de veiligheid van zijn installaties. Het probleem is de bevolking die zich om zijn bedrijven heen heeft genesteld. Zevenendertig procent van de hele industriële productie van Mexico vindt plaats in de hoofdstad. En bedrijven piekeren er niet over om naar buiten te verhuizen. “De hete aardappel wordt doorgespeeld totdat hij op een dag ontploft en de stad zal verdwijnen, zoals hier eens de Mayasteden verdwenen”, zegt Aridjis gelaten. Op het nieuws de instructies voor morgen: binnenblijven met de ramen gesloten. Geen sport, geen wandelingen, veel drinken, en je huis nat houden met de plantenspuit of natte handdoek. Dan volgt de reclame. “Gebruik Pemex: de benzine die om uw gezondheid denkt.”