Europese droom van Van Mierlo risicovol

De ministers van het kabinet-Kok verdedigen hun begrotingen in de Tweede Kamer. Het kabinet is halverwege de rit. Vandaag: Minister Van Mierlo (D66, Buitenlandse Zaken), een tussenbalans.

DEN HAAG, 13 NOV. D66 is, inderdaad, 30 jaar oud en vertoont volgens sommigen intussen het beeld van een geconserveerde, in elk geval, niet meer zo prille, maagdelijkheid. Hans van Mierlo, op dit stuk een experienced virgin, is nu 65, minister van Buitenlandse Zaken, vice-premier, partijleider en architect van de paarse coalitie, een ongedachte politieke vernieuwing die Nederland sinds twee jaar vlotjes regeert. Deze week verdedigt hij zijn begroting in de Tweede Kamer. Voor hem geldt niet wat voor veel van zijn collega's uit het kabinet-Kok geldt. Namelijk dat de plannen en afspraken van het regeerakkoord veelal goeddeels zijn verwerkelijkt, zodat al aan nieuwe lijnen en posities voor de toekomst kan worden gewerkt.

Integendeel, minister Van Mierlo's 'regeerakkoord' wordt voor een belangrijk deel buiten Nederland geschreven, in de VN, de NAVO, de EU bijvoorbeeld, en bovendien lag het er grotendeels al voor hij op Buitenlandse Zaken aantrad. In dat opzicht komt zijn grote proef op de som pas volgend half jaar. Dan is Nederland (roulerend) voorzitter in de Europese Unie en moet het zien de Intergouvernementele Conferentie (IGC) van de EU-leden afgerond te krijgen met een 'Maastricht II', dat - als het lukt - het Verdrag van Amsterdam kan heten. De Unie heeft zichzelf verplicht na deze 'verdieping' van 1997 vrijwel direct te gaan werken aan haar 'verbreding', namelijk dan een begin te maken met de (langdurige) toetredingsonderhandelingen met OostEuropese kandidaten als bijvoorbeeld Hongarije, Polen, Tsjechië. Er is dus haast geboden, temeer omdat voorjaar 1998 óók, op basis van de gerealiseerde begrotingscijfers en macro-economische kerngegevens over 1997, wordt beslist over de samenstelling van de landenclub die in 1999 als voorhoede met de Europese muntunie begint. Anders gezegd: er wordt dan beslist welke landen ten minste zo goed of kwaad voldoen aan de voorwaarden als Duitsland en Frankrijk, want zonder die twee is de Muntunie economisch ondenkbaar en politiek zinloos.

Op deze Europese terreinen kan de Kamer deze week met Van Mierlo nog slechts de adem inhouden. Het is geen wonder dat hij, net als premier Kok, de afgelopen maanden af en toe al relativerende vraagtekens heeft geplaatst bij de verwachtingen in eigen land aangaande het Nederlandse EU-voorzitterschap. Want niet alleen manen de herinneringen aan het tweede halfjaar van 1991 - toen onder Nederlands voorzitterschap, maar niet op de grondslag van de oorspronkelijke Nederlandse voorstellen - 'Maastricht I' overeengekomen werd, tot voorzichtigheid. Nee, er zijn méér redenen om in 1997 een spannend eerste halfjaar te verwachten.

Van de drie beoogde dragende 'pijlers' onder het dak van 'Maastricht' - monetaire eenwording, meer gemeenschappelijkheid op de terreinen van politie en justitie en van buitenlands beleid en defensie - kan immers niet gezegd worden dat zij allemaal stevig staan. Vooral op het terrein van een gemeenschappelijk buitenlands beleid was er de afgelopen jaren wel wat te zien, maar ook weer niet zo veel. Nationale belangentegenstellingen, botsende concepten in de driehoek Bonn-Parijs-Londen of, zo men wil, hun vierhoek met 's werelds enige supermacht in Washington blijven taai. Of ze nu Bosnië, het Midden-Oosten, mondiale handelsverhoudingen of de taak en de functie van de VN betreffen. Taai zijn ook de 'institutionele' tegenstellingen in de EU, zeg, inzake haar democratisch gehalte (bevoegdheden van het Europarlement) of haar besluitvorming (meerderheidsbesluiten of niet, op welke voorwaarden en wanneer, zeker straks in een verder uitgebreide Unie). Dan hangt er nog een Britse wolk over het Nederlandse voorzitterschap. Want het vooruitzicht dat de kwakkelende Conservatieve premier John Major vermoedelijk pas mei volgend jaar de Lagerhuisverkiezingen laat houden maakt de kans miniem dat nog voor 1 juli zaken met Londen kunnen worden gedaan.

De D66-fractie zal zich deze week nog eens realiseren hoe groot de risico's zijn die de partijleider heeft genomen door zijn eigen droom te laten doorgaan en minister van Buitenlandse Zaken te worden. Het gevaar bestaat dat hij per 1 juli 1997 - een jaar voor de volgende verkiezingen - als 'man van Europa' met lege handen, of op zijn best met een onspectaculair 'miniverdrag' blijft staan.

Het gevaar bestaat voorts dat hij, ver van alle Europese ingewikkeldheden, in Nederland dan overigens vooral zal worden beoordeeld op 'kleinere kwesties'. Bijvoorbeeld op de vraag of hij - sprekend over de verantwoordelijke rol van de media als een soort slaperdijk in de democratie en over 'grijze zones' tussen de koninklijke onschendbaarheid en de ministeriële verantwoordelijkheid - hier en daar misschien niet al te vlot improviseert. En op de vraag of hij 'bevlogen' genoeg is in het uitdragen van nationale mensenrechtopvattingen, een thema dat vooral 'links' deze week aandacht zal geven. Van Mierlo is geen liefhebber van de openlijk opgestoken wijsvinger namens het Koninkrijk. “Ik ga niet op een zeepkist staan”, heeft hij daarover gezegd. Dat heeft hem al het verwijt opgeleverd dat hij zich jegens regimes die het niet zo nauw nemen met de mensenrechten gedraagt als een Hollandse 'kaasverkoper'.

    • J.M. Bik