EU Groot-Brittannie; Britten verstoren agenda Europa

BRUSSEL, 13 NOV. Groot-Brittannië heeft gisteren weer eens gedreigd de agenda van de Europese Unie in de war te schoppen als het zijn zin niet krijgt.

Het Europese Hof van Justitie wil dat ook de Britten zich houden aan de Europese richtlijn voor een werkweek van maximaal 48 uur. De Britse premier, Major, kondigde aan volgend jaar de herziening van het Verdrag van Maastricht, waarin nieuwe afspraken over Europese samenwerking worden gemaakt, te zullen tegenhouden als de gevolgen van deze in zijn ogen onaanvaardbare uitspraak van het Hof niet ongedaan worden gemaakt. Hij wil bovendien dat het Verdrag van Maastricht zodanig wordt gewijzigd dat Groot-Brittannië nooit meer “via de achterdeur” met richtlijnen over arbeidstijden wordt geconfronteerd.

Dit roept herinneringen op aan de Britse actie van afgelopen voorjaar. Toen vertraagde Groot-Brittannië tientallen besluiten van de EU wegens een conflict over de gekkekoeienziekte. Maar de situatie is nu anders. Major heeft niet met directe actie gedreigd. Hij is van plan voltooiing van de Intergouvernementele Conferentie (IGC), waarin over de herziening van 'Maastricht' wordt gesproken, volgend jaar met een veto tegen te houden als hij zijn zin niet krijgt.

Major vindt dat de Europese Commissie en de veertien lidstaten die de richtlijn over de 48-urige werkweek aanvaardden, de geest van het Verdrag van Maastricht niet hebben gerespecteerd. Bij dat Verdrag werd het sociale hoofdstuk op Groot-Brittannië niet van toepassing verklaard. De door Major bestreden richtlijn is echter niet op dat sociale hoofdstuk gebaseerd, maar op een artikel uit het verdrag over de volksgezondheid. Europees commissaris Flynn beschuldigde Major gisteren ervan met zijn dreigement over de IGC bij de Europese Unie te willen inbreken, nadat hij via de voordeur niets had bereikt en er ook niet in was geslaagd via de achterdeur (met het beroep bij het Europese Hof) zijn zin te krijgen.

Het Britse dreigement is geen nieuw probleem, maar de aanscherping van een al langer bestaand vraagstuk. Het was bekend dat Groot-Brittannië weinig voor herziening van het Verdrag van Maastricht voelt. Meer zaken beslissen met een meerderheid van stemmen en daarmee het vetorecht opgeven? Voor Major kwam het niet aan de orde. Landen die kunnen integreren niet te laten wachten op de langzaamste? Ook daarover hebben de Britten een eigen opvatting. Ze zijn voorstander van een flexibiliteit à la carte, ieder land kiest aan welk programma het mee wil doen en aan welk niet. Maar ze zijn tegelijkertijd wel als de dood om ergens buiten gehouden te worden. Een Europees buitenlands en veiligheidsbeleid? Ook dat is aan Major niet besteed. Het liefst wil hij ook nog de invloed van het Europese Hof van Justitie en het Europees Parlement beperken.

Veel onderhandelaars van andere EU-lidstaten hoopten dat uiteindelijk met de Britten wel compromissen te bereiken zouden zijn. Dat is tenslotte in 1991 in Maastricht ook gelukt, al moest daar worden toegegeven dat het sociale hoofdstuk niet voor Groot-Brittannië van toepassing is.

De grootste moeilijkheid is dat in Groot-Brittannië volgend jaar verkiezingen plaatshebben. De waarde van overeenstemming met de Conservatieve regering van Major is daardoor onduidelijk. Als Labour wint kan die partij over allerlei zaken opnieuw willen onderhandelen. Vorige maand verklaarden de meeste Europese leiders in Dublin dat zij vasthielden aan afsluiting van de IGC in juni volgend jaar, aan het einde van het half jaar Nederlands voorzitterschap van de Europese Unie, met een Verdrag van Amsterdam. Alleen premier Kok temperde het optimisme over wat hij zou kunnen bereiken.

Terwijl Europees commissaris Flynn gisteren geïrriteerd reageerde op Majors dreigementen over de IGC, waren diplomaten in Brussel voorzichtiger. Sommigen toonden er begrip voor dat hij moeilijkheden heeft met eurosceptici in zijn Conservatieve Partij en zeiden dat de 48-urige werkweek de Britse economie vele miljarden kan kosten. Er wordt erkend dat voorlopig nog veel Britse werknemers van deze arbeidstijdbeperking uitgesloten zullen zijn. Maar Britse vakbonden zouden zich op den duur door de richtlijn en de daaruit volgende Britse wetgeving gesterkt kunnen voelen om de 48-urige werkweek te gaan eisen.

Begrip voor Major tonen is van belang, zeker voor Nederland, dat het door de Britse dreigementen extra moeilijk zal krijgen om een Verdrag van Amsterdam tot een goed einde te brengen. Er moet een klimaat worden geschapen voor compromissen. Maar begrip kent ook grenzen. Als de Europese richtlijn over de 48-urige werkweek Groot-Brittannië geld gaat kosten, wat dan nog? Veel EU-lidstaten beschouwen het huidige gebrek aan sociale wetgeving in Groot-Brittannië als een vorm van concurrentievervalsing. Als Major zegt dat hij door afwijzing van de 48-urige werkweek de Britse concurrentiepositie wil verdedigen, roept hij daarmee slechts ergernis op in landen die de investeringen missen die wegens de lage arbeidskosten naar Groot-Brittannië gaan.

    • Ben van der Velden