Egalitair onderwijsbestel frustreert opzet topscholen

Op de laatste Olympische Spelen haalde Nederland meer medailles dan ooit. Met het aantal plakken per inwoner behoort Nederland zelfs tot de wereldtop: hoera! Maar de slagman van de zegevierende roeiers van de Holland Acht zei, dat het feit dat het keer zoveel beter uitpakte dan in Barcelona voor een groot deel te danken was aan de veel ruimere financiële mogelijkheden, waarover men tijdens de voorbereiding beschikte.

Onbegrijpelijk vind ik wat ik in diezelfde kranten waarin kampioenen bejubeld worden, over ons onderwijs lees. Eén basisprogramma voor alle 12-15-jarigen in het voortgezet onderwijs, óók voor hen die weten wat ze willen en later zullen uitblinken. Loting in plaats van selectie. Maar ondanks het egalitaire corset van ons onderwijssysteem doen we het ook in de wetenschap helemaal niet zo gek. Volgens de 'Wetenschap- en Technologie-Indicatoren 1996' hebben de Nederlandse publicaties in de verschillende beta-disciplines een impact die - in vele gevallen aanzienlijk - boven het wereldgemiddelde uitsteekt.

Toch is de politiek niet tevreden. Al jarenlang wordt aan het universitaire onderzoeks- en onderwijsbestel gesleuteld, maar een lange-termijnstrategie lijkt te ontbreken. Reductie van middelen blijft de nauwelijks verborgen drijvende kracht. Nederland heeft in de uitgaven voor wetenschappelijk onderzoek (als deel van het bruto nationaal produkt) de laatste jaren een toenemende achterstand opgelopen ten opzichte van de hoogontwikkelde landen waarmee wij ons graag vergelijken.

Maar wie arm is, moet slim zijn. Het Wetenschapsbudget 1997 is hiervan het jongste voorbeeld. De minister wil een verdere kwaliteitsverbetering van het (para)universitaire onderzoek bereiken zonder daarvoor extra middelen in te zetten. Hij stelt daarom een grondige verbouwing voor van de structuren waarmee het (para)universitaire onderzoek gecoördineerd en gefinancierd wordt - structuren die in vele gevallen pas enkele jaren geleden met veel moeite tot stand kwamen.

Elk van de nu door de minister beoogde maatregelen heeft redelijke aspecten, die men serieus in overweging zou moeten nemen als er een nieuw systeem from scratch zou worden opgebouwd. Maar in de recente beleidsnota 'Kennis Verrijkt' van NWO wordt er terecht op gewezen dat de betrokken partijen zich rekenschap moeten geven van de kosten van de overgang van een praktische en goed lopende constructie naar een theoretisch wellicht fraaier, maar niet dan na een moeizame en langdurige discussies te bereiken organisatiemodel.

Zo is het ministeriële voornemen “het nog meer op topkwaliteit en selectieve profilering toegesneden inzetten van de bestaande geldstromen” in abstracto een prachtig voornemen, maar de concrete uitvoering die de minister eraan wil geven is griezelig. Het budget van NWO wordt hiertoe niet verhoogd. In de plaats daarvan krijgt deze organisatie medezeggenschap over de interne verdeling van universitaire gelden. NWO heeft zich verbonden binnen twee (!) maanden een procedure op te stellen die het mogelijk moet maken uit het honderdtal thans bestaande onderzoekscholen ten hoogste tien 'toponderzoekscholen' te selecteren; aan deze scholen dienen de universiteiten vervolgens 100 miljoen gulden extra aan middelen toe te wijzen.

Nederland telt dertien universiteiten die alle hun bestaansrecht zullen verdedigen en er zijn zeker meer dan twintig vakgebieden waarin Nederlanders onderzoek verrichten dat zich met de internationale top kan meten en dat met extra middelen met veel succes versterkt zou kunnen worden. De selectie van deze 'topscholen' zal dus gaan lijken op de taak van een visser die uit een emmer vol pieren de tien dikste wil pakken.

Terecht vraagt de minister om “strakke, zorgvuldige procedures”. Maar het publiekelijk stellen van deze vraag toont al dat het antwoord heel moeilijk, zo niet onmogelijk is, vooral ook als men bedenkt dat de bestuurders in de verschillende bestuurslagen van NWO en de referenten die zij mogelijk aantrekken in meerderheid zelf in die emmer met pieren kronkelen.

Toch heeft de minister gelijk dat een meer bergachtig onderzoekslandschap in Nederland erg gewenst zou zijn. Het eerste dat daarbij valt op te merken is dat het primaire doel van een universiteit, ook in de tweede (promotie)-fase, de scholing van jonge mensen is. Het primaire produkt van een universiteit zijn de mensen die worden opgeleid, niet de uitvindingen die er worden gedaan, of de meesterwerken die er worden geschreven.

Wil men naar een meer pyramidale structuur streven met een erg hardwerkende, competitieve universitaire top zoals men in de VS aantreft, dan moet men aan de basis beginnen. Het is bizar dat wij in de sport en bij diverse beroepsopleidingen voor kunstenaars selectie als een natuurlijke zaak beschouwen en, ondertussen, in ons onderwijs het onhoudbare ideaal van 'gelijke kansen voor allen' belijden.

Het egalitaire karakter van het Nederlandse onderwijsbestel houdt voor de universiteiten in dat deze gemiddeld qua capaciteiten van staf en studenten allemaal even goed (c.q. matig) zijn. Men moet beseffen dat hetzelfde, grosso modo, voor de onderzoekscholen (OZS) geldt. Wil men bepaalde unica waarin Nederland uitblinkt zoals de medische genetica of de sterrenkunde selectief bevorderen, dan is dit in principe een eenvoudige zaak waarvoor geen 'top'-label nodig is: geef ze meer middelen op basis van goede voorstellen.

Kijkt men naar grotere vakgebieden zoals natuurkunde of scheikunde, dan ziet men dat vrijwel het gehele onderzoek in OZS is ondergebracht, geen der OZS duidelijk boven de andere uitsteekt en dat iedere school een scala van kwaliteiten van (heel) behoorlijke tot internationale toppers in zich herbergt. Het op een verantwoorde manier aanwijzen van enkele 'toppen' in deze grote gebieden is een volstrekte onmogelijkheid.

Als we dus meer toppen in ons onderzoek wensen moeten we naar een pyramidale structuur van onze universiteiten, met een concentratie van talent en ambities; van staf èn studenten en promovendi. Kiezen tussen de bestaande universiteiten is een politieke onmogelijkheid. Maar er zijn, mits omzichtig aangepakt, wel mogelijkheden om op termijn tot een nationale 'Graduate School of Science and Technology' te komen - doch niet als verlengstuk van een bestaande universiteit.

Het incidenteel premiëren van lokale (tijdelijke!) toppers leidt niet tot een permanente, structurele verbetering. Het is net als in de sport: de clubs aan de top verwisselen in de loop der tijd van plaats. Wil men als land uitblinken, dan moet men zoals bij de voorbereiding van de Holland Acht, de sterkste jongens selecteren, bij elkaar zetten en geholpen door extra middelen samen laten trainen.

    • J.H. van der Waals