Een getto in Nederland

Hoogvliet wordt de laatste tijd in de media steeds vaker afgeschilderd als een Rotterdamse probleemwijk. Daar zijn niet alle bewoners het mee eens.

Een mevrouw wees er onlangs in een ingezonden brief in de Volkskrant met gepaste trots op dat Hoogvliet een ingelijfde deelgemeente van Rotterdam is. “Wie van Hoogvliet naar Rotterdam-Zuid wil, moet een afstand van twaalf kilometer afleggen en twee niet-Rotterdamse dorpen (Poortugaal en Rhoon) passeren om er te komen. Ik ben een geboren en getogen Hoogvlietse en ik zal nooit een Rotterdamse worden.”

Waarvan akte. Maar maakt het de problemen van Hoogvliet minder schrijnend? Ik vrees van niet. De NCRV zond de afgelopen weken in Dokument een drieluik uit, Eindpunt Hoogvliet, dat zeer indringend de problemen van dit soort Nederlandse wijken (pardon, deelgemeenten) belichtte.

Voorspelbaar? Dat viel reuze mee. Regisseur Gerard d'Olivat bleek geen sensatiezoeker, maar een sociologisch georiënteerde observator die vooral de bewoners zélf aan het woord liet. Vooraf waarschuwde hij met de tekst: “Met dit programma beogen de makers geen compleet beeld van Hoogvliet te geven.”

d'Olivat concentreerde zich vooral op 'de oliebuurt' van Hoogvliet, een wijk waarin de Antillianen domineren. Wat hij daarvan liet zien, was zorgwekkend. Veel mensen kampten met hoge huurschulden, ze waren afgesloten van water en licht en ze hadden het beheer van hun wijk stilzwijgend overgelaten aan jonge, talentvolle gangsters, van wie er een openlijk snoefde: “In iedere straat is wel iemand de baas, ik ben het hier. Als ik het zou zeggen, schieten ze nog op de politie ook. Alle dealers hebben wapens. We zouden de politie aankunnen, we zouden ze uit de buurt kunnen houden.”

Kun je zo'n buurt al naar Amerikaans voorbeeld een getto noemen? Daar zijn we in Nederland huiverig voor, maar documentaires als die van d'Olivat laten bijna geen andere conclusie toe. Dat is ook de grote verdienste ervan: ze laten overtuigend zien welke veranderingen er in de grote stedelijke gebieden gaande zijn. Een straathoekwerker zei zonder omwegen: “Het gaat hier zó snel achteruit, binnen vijf jaar is het een getto.”

Kenmerkend voor de Amerikaanse getto's zijn de kinderen die aan hun lot worden overgelaten. Zó erg is het in Nederland nog niet, maar de gesprekken met Antilliaanse tienermoeders uit 'de oliebuurt' stemden weinig hoopvol. Meisjes van veertien en zestien jaar praatten over het krijgen van kinderen alsof het over de aanschaf van een huisdier ging. “Ik wou 'm niet echt, maar ik ben met de pil gestopt. Ik had er geen erg in, en toen heb ik 'm maar gehouden.”

Een mentaliteit die ze niet van een vreemde hebben, zo bleek d'Olivat toen hij samen met hen hun vaders op Curaçao opzocht. De vaders begroetten hun kinderen die ze jaren niet hadden gezien, hartelijk, maar onthecht. “Ik heb veel kinderen, ik weet niet hoeveel”, zei een van hen trots.

In de sterke laatste aflevering van zijn film toog d'Olivat ook naar Baltimore, een stad die qua omvang vergelijkbaar is met Rotterdam. De drugsproblematiek bleek er veel ernstiger: van de 700.000 inwoners zijn er 50.000 aan drugs verslaafd. De politie maakte een vertwijfelde indruk. “Dag in dag uit dezelfde ellende, het sloopt je”, zei een Amerikaanse agent.

Interessante boodschap voor Onno Ruding die zich zondag in Buitenhof nog zo tegen het Nederlandse gedoogbeleid keerde: de Amerikaanse politie is er ook niet meer vies van. “Wij gedogen ook al meer”, zei een Amerikaanse agent, “ik zie geen reden om softdrugs niet te decriminaliseren.” En over de harddrugs: “Vroeger pleegde je met tien bolletjes coke in bezit een misdaad, nu pas met 31.”

De Rotterdamse politiemensen spraken elkaar tegen. De ene agent vond het vechten tegen de bierkaai, de andere wilde alle junks de wijk uitdrijven.

Waarheen? Misschien wel naar een andere wijk.

    • Frits Abrahams