Dijkshoorn, directeur Schade van Nationale Nederlanden: Winst nodig voor uitkeringen

DEN HAAG, 13 NOV. De directeur bij Nationale Nederlanden draait er niet omheen: een verzekeraar ontplooit pas activiteiten als er geld mee valt te verdienen. Dat werkt zo bij de verkoop van een verzekering tegen brand, dus ook bij een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid. Maar om verzekeraars in de discussie over privatisering van de WAO de rol toe te bedelen van nietsontziende winstmaker gaat drs. M.W. Dijkshoorn, directeur schade en zorg bij NN, een paar stappen te ver.

“Linschoten heeft wel eens gezegd dat hij de verzekeraars alleen er bij wilde om de bedrijfsverenigingen scherp te houden. Maar dat zien wij toch niet als onze maatschappelijke rol”, zegt Dijkshoorn, die voor het Verbond van Verzekeraars als voorzitter fungeert van de commissie arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. De winst die verzekeraars willen maken, is volgens hem nodig om de uitkeringen te kunnen garanderen. Bovendien, benadrukt Dijkshoorn, houden verzekeraars bij deze soort 'sociale verzekeringen' de rendementen bewust laag.

De verzekeraars hebben het gevoel dat ze in de WAO-discussie door de politiek niet helemaal serieus worden genomen: officieel heeft het kabinet de mond vol van marktwerking, maar uiteindelijk blijken de randvoorwaarden zo te worden ingevuld dat van concurrentie tussen publieke partijen (de bedrijfsverenigingen) en de private sector (de verzekeraars) geen sprake zal zijn. Zo is de premie die de bedrijfsverenigingen straks voor een WAO-verzekering mogen vragen volgens de verzekeraars veel te laag. Om daarmee te concurreren, zouden de ondernemingen naar eigen zeggen met hun verzekeringsprodukt ver onder de kostprijs moeten gaan zitten. Dijkshoorn: “Het is net alsof ze tegen Philips zeggen: 'Je moet gloeilampen gaan maken en die dan verkopen tegen de halve prijs'.”

In de Tweede Kamer is vorige week gesproken over twee ingrijpende veranderingen van de huidige WAO: de premieheffing afhankelijk maken van het aantal arbeidsongeschikten in een bedrijf en werkgevers de kans geven om zelf het risico te dragen dat werknemers arbeidsongeschikt raken. Dat risico kunnen ze vervolgens onderbrengen bij een particuliere verzekeraar. Tijdens de formatie van het paarse kabinet (in de zomer van 1994) ging men er nog vanuit dat werkgevers de termijn van eigen risico zelf konden bepalen, later is besloten tot een maximale periode van vijf jaar. Werknemers die daarna nog steeds arbeidsongeschikt zijn, vallen terug in een collectieve regeling. Morgen moet het debat over de nieuwe WAO worden afgerond.

Verzekeraars die contracten voor arbeidsongeschiktheid aanbieden, kunnen niet naar eigen believen de hoogte of de duur van de uitkering aanpassen - deze blijven wettelijk vastgelegd. Die keuzevrijheid is er wel bij de premieheffing: bedrijfsverenigingen moeten zich houden aan de richtlijnen die De Grave daarvoor opstelt, de verzekeraars mogen zelf bepalen hoeveel premie ze vragen. De achterliggende idee is dat verzekeraars efficiënter werken dan bedrijfsverenigingen en dus met een lagere premie toekunnen, waardoor bedrijfsverenigingen door de markt gedwongen worden om die werkwijze over te nemen.

Van de uitwerking van die gedachte komt volgens Dijkshoorn niets meer terecht, omdat het kabinet uitgaat van een te lage basispremie. Staatssecretaris De Grave (sociale zaken) stelt een basispremie voor van 1,66 procent, die - afhankelijk van het aantal arbeidsongeschikten per bedrijf - kan oplopen tot 6,64 procent (4,98 procent voor bedrijven met minder dan 15 werknemers). Daarnaast betalen alle werkgevers een uniforme landelijke WAO-premie, waarvan onder meer de huidige arbeidsongeschikten worden betaald.

Het Verbond van Verzekeraars is van mening dat het kabinet de basispremie baseert op te positieve verwachtingen omtrent instroom en uitstroom van arbeidsongeschikten. Op basis van eigen berekeningen stellen de verzekeraars vast dat de basispremie ten minste 2,7 procent zou moeten bedragen om er met enige zekerheid van uit te kunnen gaan dat de regeling geen tekorten oplevert.

Bij het nu voorgestelde niveau is het volgens Dijkshoorn onvermijdelijk dat de overheid over een paar jaar de premietarieven flink zal moeten opschroeven. Dijkshoorn, met een verwijzing naar de reclameslogan van een concurrerende verzekeraar, “Wij zijn de overheid niet. We kunnen solidariteit niet afdwingen. Natuurlijk kunnen verzekeraars de premies ook verhogen, maar wij kunnen niet op die manier een tekort uit het verleden goedmaken. De overheid kan dat wel, die leggen dan een dubbele toeslag op.”

Hoewel de meeste verzekeraars volgens Dijkshoorn niet staan te springen om de concurrentieslag met de bedrijfsverenigingen nu aan te gaan, zullen ze “de markt wel voortdurend blijven aftasten”. Wanneer de voorspellingen van Dijkshoorn uitkomen en de overheid de premies straks zou moeten verhogen, komen de verzekeraars vanzelf in beeld.

Ook verzekeraars kunnen zich vergissen in de ontwikkelingen, geeft Dijkshoorn toe. Bij de enkele jaren geleden massaal afgesloten verzekeringen tegen het WAO-gat bleek dat het aantal nieuwe arbeidsongeschikten door de strenge keuringen veel minder snel groeide dan was aangenomen. Dijkshoorn: “Bij de verzekeringen voor het WAO-gat zijn de premies toen gemiddeld met 30 procent gedaald. Daar dwingt de markt je gewoon toe. Dat is marktwerking.”