CDA en VVD gereserveerd; Voorwaarden aan uitzending troepen Zaïre

DEN HAAG, 13 NOV. Nederland wil alleen troepen leveren voor een vredesmacht in Oost-Zaïre als naast Canada een ander groot land meedoet. Daarbij denkt men aan de Verenigde Staten, dat gisteren een verkenningsteam naar Oost-Zaïre heeft gestuurd.

Dat antwoordde minister Voorhoeve (Defensie) gisteren op vragen naar aanleiding van zijn begroting voor 1997 in de Tweede Kamer. Hij wees erop dat vooral de landen en de strijdgroepen in de regio zèlf de ruimte beperken voor de internationale gemeenschap om humanitair op te treden. De Veiligheidsraad moet snel aangeven hoe de internationale humanitaite troepenmacht moet gaan opereren, aldus Voorhoeve.

CDA en VVD staan zeer gereserveerd tegenover het uitsturen van Nederlandse militairen naar Oost-Zaïre. PvdA, D66 en GroenLinks vinden dat Nederland bij zo'n humanitaire missie niet kan ontbreken. Voorhoeve gaf aan dat een eventuele bijdrage bescheiden zou zijn en afhangt van mandaat, opzet van vredesmacht en deelname door anderen.

Een meerderheid van de Tweede Kamer vroeg zich af of Nederland mee kan blijven doen aan vier vredesbewarende of vredesopleggende taken tegelijkertijd elders in de wereld. Waarom kan de Prioriteitennota van 1993 (met daarin de plannen om de krijgsmacht drastisch te herstructureren en te verkleinen) niet eerder worden bijgesteld dan herfst volgend jaar? Voorhoeve gaf aan dat een aantal knelpunten moet worden weggenomen. Dat kan volgens hem binnen het budget van dit jaar. Uitbreiding bij het Korps Commandotroepen, de Genie en het Korps mariniers moet zorgvuldig worden afgewogen en vereist afstemming. Daarvoor wil de bewindsman ruim de tijd nemen.

Het CDA pleit ervoor bij aanpassing van de Prioriteitennota ook beter de dreiging en de behoeften bij vredesoperaties aan te geven. In de nota moet ook staan wat die evaluatie betekent voor toekomstige grote materieeluitgaven bij de krijgsmacht, aldus het CDA. D66 vroeg of de chef defensiestaf bij dat proces niet als een corporate planner kan optreden.

Staatssecretaris Gmelich Meijling gaf aan dat de verschillende verlangens van marine, luchtmacht, landmacht en marechaussee nu al aan de chef defensiestaf worden voorgelegd. Deze toetst de verlangens voor ze bij de politieke leiding terecht komen. Hoekema (D66) vond de rol van de chef defensiestaf, de belangrijkste adviseur van de minister, toch te vaag. Deze zou bij uitstek de strategische planner moeten worden, aldus Hoekema. Bij de afslanking van de krijgsmacht stelt men herhaaldelijk de vraag of de macht van de drie onderdelen niet moet worden teruggebracht. De bevelhebbers verzetten zich daar fel tegen, ondanks de terugloop van hun troepen met uiteindelijk ongeveer veertig procent.