Voorhoeve heeft de aanval gekozen

De ministers van het kabinet-Kok verdedigen hun begrotingen in de Tweede Kamer. Het kabinet is halverwege de rit. Vandaag: Minister Voorhoeve (VVD, Defensie), een tussenbalans.

DEN HAAG, 12 NOV. Vijf weken geleden sloeg de schrik weer toe. Zou het rapport over de ramp met de Belgische Hercules, waarbij 32 inzittenden om het leven kwamen, aanleiding zijn om af te moeten treden, zo vroeg minister Voorhoeve (Defensie) zichzelf af. Hij liet in haast een verklaring opstellen. Hij noemt het “een te ruime interpretatie van de politieke verantwoordelijkheid om af te treden. Er zijn daar menselijke inschattingsfouten gemaakt”. Niet zijn beleid is aan de orde, noch de deugdelijkheid van de defensieorganisatie. Voorhoeve kan weer verder, is zijn eigen conclusie.

Vijftien maanden eerder had hij even overwogen wél af te treden na alle verwikkelingen rond de val van de moslim-enclave Srebrenica. Maar Voorhoeve wilde toch van geen wijken weten, zo verklaarde hij enkele maanden later. Aftreden op dat moment zou een verkeerde indruk wekken bij de bondgenoten, “alsof Nederland schuld had aan de val van het veilige gebied”.

Voorhoeve, aangetreden als een van de meer populaire ministers, worstelt met zijn taak. Op zijn ministerie speelt zijn afstandelijkheid hem parten. In eigen partij heeft hij krediet verloren. Als verdediging heeft hij de aanval gekozen. In Nederlandse en buitenlandse kranten verschijnen met enige regelmaat zijn ingezonden brieven over wat er werkelijk gebeurde in Srebrenica.

Zijn lijn is dat er veel heeft geschort aan de taakopvatting en commandovoering van de Verenigde Naties in Bosnië. Dutchbat heeft gedaan wat het kon. Er moet nu rust in de tent komen en de verkleining en herstructurering van de krijgsmacht moet worden afgewikkeld is zijn boodschap.

Daarnaast heeft hij als minister voor de Nederlandse Antillen en Aruba de handen vol. Personeelsbeleid heeft hij overgelaten aan zijn staatssecretaris en partijgenoot Gmelich Meijling, die ook toezicht houdt op de afslankingsoperatie bij Defensie. Voorhoeve voert loyaal de Prioriteitennota (1993) van zijn voorganger, de PvdA'er Ter Beek, uit. Hij wil daarin wel wat veranderingen aanbrengen, maar daar komt hij pas volgend jaar mee. Dan gaat het om meer genietroepen en meer materieel voor vredesoperaties, meer mijnenruimcapaciteit, mogelijke uitbreiding van het Wapen der Marechaussee en het Korps Commandotroepen.

Een van de hoofdpunten uit de Prioriteitennota, de afschaffing van de opkomstplicht van dienstplichtigen, werd dit jaar nog eerder uitgevoerd dan in de bedoeling lag. Nederland heeft nu een beroepsleger en de animo om daarin dienst te nemen is groter dan verwacht. Wel hebben commandanten opdracht gekregen om beter te letten op de beroepsuitvoering en het 'imago' dat de Nederlands militair uitdraagt. Daarbij gaat het niet expliciet om lange haren of oorringetjes, maar om 'een professionele uitstraling'. Voorhoeve wil dat met name militairen die in internationaal verband optreden zich houden aan de regels. Het 'vakbondsimago' van de krijgsmacht wil Defensie van zich afschudden.

Nog steeds wil Nederland aan vier vredesbewarende taken tegelijk deelnemen. Die ambitie wordt getemperd door het echec van Srebrenica. Bood Nederland in het verleden al militaire bijstand aan nog vóór daar door de Verenigde Naties, de Westeuropese Unie of de NAVO om was gevraagd, nu opereert Voorhoeve, mede onder druk van de Tweede Kamer, behoedzamer. Samen met minister Pronk (Ontwikkelingssamenwerking) behoort hij tot de idealisten op het terrein van vredebewarende of vredestichtende opdrachten. Hij heeft echter nu de boodschap van zijn politieke leider Bolkestein begrepen dat Nederland niet altijd voorop moet lopen en zich duidelijk moet afvragen of militaire acties elders in het nationale belang zijn.

Het ministerie van Defensie wordt steeds meer een ministerie van Militaire Zaken, maar ook, zoals vroeger, van Oorlog. Het nieuwe beroepsleger moet leren dat internationale taken een zeker risico in zich dragen. Het geweldsspectrum bij internationale opdrachten neemt toe. Ook Nederland wordt gedwongen om 'robuust' op te treden, zoals nu eindelijk in Bosnië het geval is.

Was met name de landmacht in het verleden meer en meer een opleidingsinstituut voor dienstplichtigen, nu bij de omvorming komt het op een permanent inzetbaar leger aan voor onzekere opdrachten. Dat vereist een andere cultuur en andere accenten bij de training. Experts vragen zich af of voorbereiding op vredesbewarende en vredesopleggende taken wel te combineren valt met een opleiding voor de verdedigingstaak. Die geldt nog steeds als primair en mede daarvoor wordt in staccato materieel aangeschaft. Zijn die uitgaven allemaal nodig als Nederland internationaal minder taken op zich neemt en de dreiging blijft afnemen?

Een van de experts, dr. J.G. Siccama van het instituut voor internationale betrekkingen Clingendael, maakt zich met name zorgen over het mobilisatievermogen van de Landmacht. “Er dient zo spoedig mogelijk helderheid te worden verkregen over de termijn waarover voormalige vrijwilligers oproepbaar blijven, over hun geoefendheid en hun daarbij aan te passen salariëring. Omdat grote conflicten ook buiten West-Europa kunnen plaatshebben, zou reservepersoneel verplicht moeten kunnen worden te worden uitgezonden.”

En Siccama vervolgt in een recent nummer van Liberaal Reveil: “Het drama van Srebrenica heeft ook de vraag opgeroepen of de huidige organisatie-in-transformatie het hoofd zal kunnen bieden aan gevechtssituaties die zich bij VN-operaties kunnen voordoen.”

    • Willebrord Nieuwenhuis